De bouw van de Nannostraat, de Alberdingk Thijmstraat en de Oltmansstraat
De bouw van de Nannostraat, de Alberdingk Thijmstraat en de Oltmansstraat

 

Nanno, Eene Grieksche idylle is een poëziebundel van de in de 19e eeuw bekende Haagse schrijver Carel Vosmaer. De bundel werd in in 1882 gepubliceerd. 

Nanno is geschreven wisselend in hexameters (daktylen), anapesten, 6-voetige en 7-voetige jamben, 8-voetige trochaeën, elegische dysticha, sapfische strofen, etc. In de erbij gevoegde aantekeningen behandelt Vosmaer de muzikale waarde en bedoelingen van de telkens gekozen metra. Hij ging met veel overleg te werk, en het resultaat is een weliswaar enigszins zoetelijke, maar toch wel vriendelijke reeks van 16 gedichten die een op allerlei Griekse voorbeelden van Homerus tot en met Theokritos geïnspireerd verhaal vertellen: de liefde van Nanno en Nikias.

Het werk wordt nauwelijks meer gelezen en is ook nauwelijks verkrijgbaar.

De Nannostraat werd op 14 februari 1921 opgeleverd en liep van de Alberdingk Thijmstraat naar de Beetsstraat. Bij een grootschalige renovatie van Spoorwijk werd de straat in 1995 afgebroken en vervangen door een buurtpark en woningen (Hof van Heden). 

Nanno

Enkele gedichten uit de Nanno.

1

OCHTENDGLOREN.

Langzaam sleept de heilge nacht haar sluier, 
IJler, doorschijnend aan d' uiterste slippen,
Weg van de aard', en de laatste sterre
Dooft hare glans.
Zacht ontwaakt uit de sluimer het leven,
't Windeken suizelt,
Licht als een zucht in de morgen;
Over het groenige bleek van de lucht
Glimmert een gelige tint,
En het eerste wolkje met rozenvlerkjes
Zweeft van de diepten omhoog. 
Fjoe-fjoe-fjoe! tsio-tsio-tsio-io!
Fluiten de vroegst ontwaakte gevleugelde zangstertjes blijde,
Nu zij van boven, de morgen al onder de kimmen ontwaren.

Klapwiekend stijgt op de vleugelen
Druipend van 't vloeiende goud aan de kim 
d' Ochtend in 't kleed van saffraangeel, 
Maagdlijke bode des daags;
En de gloed op haar blozende wangen 
Kondigt het rijzen des lichtgods.

Nu heft in voile majesteit de albezieler
Boven de blauwende zee
't Hoofd met de gouddiadeem; 
't Zilveren schuim verguldt zich,
Goudstof wemelt in 't kustzand,
Bruinrood tinten de stralen de rotsen;
En de kronen der pijnen 
Verkonden aan mirten, olijven, cipressen, 
Dat de daggod naakt, en zij brengen het over 
En verder en verder aan lagere struiken.
En verder en verder aan lagere struiken.
't Aardrijk lacht, in het leven herboren,
Iedere bloemkelk plengt
Aan de rijzende god zijne dauwdrop.

2

NANNO

Gezocht, gevrijd, bewonderd was do jonge maagd,
Des eilands bloem, door vele knapen jong als zij,
Door mannen, keur der eodle jonglingschap, of reeds
Den staat bestierend, kloek van raad, of stout ter zee.
Maar 't harte bleef haar vrij, geen Broos wondde noch
Haar boezem ooit met 't schot dat liefdes onrust brengt
Het was of z' Artemis als maagd gewijd wou zijn,
Beducht voor hymens juk en minnend boven al
Des vogels vrije vlucht die onbekommerd zwiert
En tiereliert in 't loof. Zij schuwde 't landlijk feest
Waar knaap en maagd zich zoekt. Wanneer in 's vaders zaal
De klank van fluit en cither gasten samen riep,
Dan hield' zij schuchter, stil op d' achtergrond, haar plaats
Aan moeders zij. Alleen bij 't hooge feestgetij
Tot Poseidaoons eer, als d' optocht werd gevierd

En toog ton tempel, 't zwarte, bloemomkranste rund
De horenpunt verguld, met banden bont omstrikt,
Den zeegod werd gewijd, dan leidde zij aan 't hoofd
Den tocht, koorvoerster dan der maagdenrei, en wierp
In 't hart van al de jonglingschap den gloed der min
En spijt dat zulk een maagd, zoo schoon, zoo warsch moest zijn
Van 't humenaioslied en 't zoete huwljjksheil.
En wist haar hart dan niet, of voelde 't niet wat gloeit
In andrer meisjes hart? Of dan natuur haar werk
Zoo onvolledig schiep, dat slechts uitwendig schoon
Haar sierde, doch haar neiging, teer gevoel onthield?
Niet zoo ; er leefde echter iets in geest en hart
Van hoogex zucht bezield, een droom, een ideaal.
Des eilands jonglingsehap en mannen waren haar
Te ruw van geest, hun faalde 't eedler, fijner waas
Dat Charitinnen slechts en Ilusen geven — gaaf
Die zelfs de held moet hebben, zoo hij meer zal zijn
Dan enkel kracht en vuist en meer dan enkel zwaard.
Haar ideaal, het was do kracht, de stoutheid,. maar
Verhoogd door groot- en heerlijkheid van gansch don mensa.
De sagen kende zij des lands, die echter meest
Van landlijk boerschen aard getuigden of 't geweld
Der zee, van Nereus, Tritons, Nymfen, Satyrs, Pan, —
Die had haar voedster wel en d' oude paedagoog

Haar vroeg geleerd; — tot eens een grijze zanger kwam
En daar — zij wist de plaats noch goed — in d' open hal
Op d' elpen bank, en vdor de zuilschaft zat en zong
Van Argonauten, Theseus, Ariadnil's lot,
Van Troja's helden; zong 't roemruchtig worstelperk
In 't welk 't Ioniesch volk met haar voorzaten streed,
Haar oude vorstenhuis zich staande hield, en groot
Niet slechts door sterkte — ook door deugd en hoogen zin.
Zoo was zij trotsch, de fiere maagd, op eigen stam,
En weefde soms verbeelding ttisschen 's meisjes droom
Een held, een heros, stout en edel, grootsch en wijs.
Nu begon zij in Naukrates zulk eenen held
te aanschouwen, don vorstlijken vroomdling,
Die, ofschoon hij het midden des levens bereikte,
noch schoon was, krachtig en strijdhaft,
Met den glans om het hoofd van den roem die hem schonken
zijn strijden en menige zeetocht.
Zij hing aan zijn lippen met popelend hart
bij zijn woord, welluidend van toonklank,
Als vernuftig en wijs met haar vader hij sprak
van het richtig bestuur van den landzaat.
Hoe nietig dan bleek bij zijn rijpe verstand
en zijn veeldoorploegde ervaring,
Haar het wufte gesnap van haar jaresgenooten
of 't kunstlooze woord van haar landslien.


Ook zocht zij hem soms in den hof bij de haag
van laurieren of 't zangerig myrthosch.
Zoo sloop toch stil in haar hartje bij wijlen
een liefdegelijkende onrust.
Do liefde? Zoo dacht 't onervarene kind,
bij den man die, de eerste, haar aantrok
En haar scheen als het beeld in haar droonton gezien,
't ideaal van den edelen heros.
Zij wist het noch niet dat de liefde bestaat
in een andere neiging dan eerbied,
En bewondering is van een teederder aard.
Zoo was haar verbeeldings begoochling.
En Naukrates zag het en, schoon hij verlangde
naar huis en de zorgende huisvrouw,
Zoo kon hij niet laten de lieflijke maagd
die hem redde te zien met bowoudring,
En er sloop in zijn vriendelijk woord en zijn blik»
soms meer dan een rustige vriendschap.
Hij toonde haar echter een vaderlijk hart,
geen gloed van den jeugdigen minnaar,
En opzettelijk sprak hij haar dan van zijn vrouw
en zijn zoon, die te huis hem verbeidden.

3

 

HUISWAARTS

Thans was gunstig de tijd van het jaar voor den veiligen zeetocht,
Helder in 't midden des zomers de lucht en de zee als een Spiegel,
Gunstlg de stand van 't gesternte, de maan nosh wassend tot volheid;
Zeilree lagen de scheperi en wappererid trokken de vanen
.t Hout van de standaards krom, als begeerlg to nopen ter heenvaart.
Thans was 't bruiloftsfeest. -- Toen Nanno hair poppen en speelgoed,
Heugnis der jeugd, vaarwel van de bruid, voor Artemis' voeten
Stil had nedergelegd ; zich gebaad in het water der bronnimf
Welke zij lief had, werd voor den echt het ge ieiligde offer
Plechtig gebracht in den tempel, ten bond van hun harten en handen


Schitterend prijkte het maal, en de maagd in haar feestelijk bruidskleed
Zat in het midden der vrouwen ten disch, met haar sluier en bloemkrans.
Na de verheuging des maals en het tranenverwekkende afscheid,
't Scheiden dat immer het hartje der bruid doet slingren in tweestrijd
Tusschen het dagend geluk en het wijken van magen en kindsheid,
Zekere vreugd die zij had en de nimmer gewisse der toekomst,
Voerde in d' avondsehemer Naar Nikias' hand naar zijn vaartuig,
Sierlijk bebloemd en met banden getooid, en de jeugdige bruidstoet
Leidde met fluiten en fakkels, het epithalamion zingend,
Beiden naar 't rustige strand, waar luid nu klonk 't Humenaios !


Nikias droeg haar aan boord, in de zachtkens gewiegelde echtzaal.
Allengs hoorden zij vender en vender verdwijnen den feesttoon,
Dan slechts't kabblend geluid van de golfjes die tegen het scheepsboord
Klotsten het zilveren schuim, waar eens Afrodite uit oprees.
Naukrates ging, de gezanten verzellende, mee op hun vaartuig,
Rij k door Aristos begiftigd, het eeregeschenk aan den gastvriend,
Dankbaar den vorst en zijn gale, verlangend naar woning en huisvrouw.
Vroeg bij het ochtendgloren de offers gebracht aan Poseidoon,
Heerscher der zeeen, het rund hem geslacht en de plenging vergoten ;


Toen ontvoeren de schepen de baai; nauw vulde het koeltje
't Flappende zeil, mnaar krachtig bewogen de mannen • den roeiriem
Volgens de maten der fluit en het zeevaartslied van den voorman.
Buiten de zeebocht vulde de wind 't aanzwellende zeildoek,
Weerszijds welfde de golf langs 't sierlijk gebogene boeghout,
Snijdend zjjn voor in het nat ; op het dek met Korinthische kleeden
Za,t de bekoorlijke Nanno, en Nikias deed van de snaren
Ruischen een lied, en zij zagen ter zij 't zanglievende zeedier
Springen, den rasschen delfijn. Zoo week en verflauwde het eiland
Steeds voor het oog van den dichter en 't edele meisje van Melos,
Eindlijk verzonk het in zee en verzwond als een dichterlijk droombeeld.

 

De Nannnostraat in 1930
De Nannnostraat in 1930
Toen de Nannostraat gesloopt werd in 1995, bleek in de een van de woningen Nachtwacht behang te zijn gebruikt.
Toen de Nannostraat gesloopt werd in 1995, bleek in de een van de woningen Nachtwacht behang te zijn gebruikt.
De poeziebundel -Nanno- van Carel Vosmaer uit 1882.
Nanno 1882

De Nannostraat (bij de groene pijl) geprojecteerd op de plaats waar nu een park ligt.
De Nannostraat (bij de groene pijl) geprojecteerd op de plaats waar nu een park ligt.