In de 19e eeuwse roman Camera Obscura van de schrijver Hildebrand worden de lotgevallen van een aantal families beschreven. De Camera was het best verkochte Nederlandse boek van de eeuw en vandaar dat diverse figuren uit het boek een straatnaam hebben gekregen in Spoorwijk.

Doorbeen

De hoofpersoon uit de Camera Obscura, Hildebrand, nodigde  allerlei vrienden en kennissen uit op een kopje thee, om verder het avondje te passeren.

Op een avond ging Hildebrand bij het echtpaar Dorbeen langs.  Mevrouw Dorbeen droeg met veel gerol van rrr's en draaiende ogen het gedicht ‘De Rijn’ van Elias Borger voor. Ze werd echter onderbroken door het speelwerk in de lamp. 

Mevrouw Dorbeen speelt verder in het boek geen rol meer.  

Fragment.

De tekst over mevrouw Dorbeen

De tekst over mevrouw Dorbeen

In de Camera Obscura wordt een paar bladzijden aandacht gegeven aan mevrouw Dorbeen en haar man.

Hoor eens,; zei Stastok tegen Dorbeen: 'je moet maken dat je vrouw reis reciteert, hoor.'
'Heremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteren, lieve mevrouw!' zei mijn tante met enige ongerustheid, en op het woord strak zoveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
'Och toe, mevrouw!' zei Koosje met een allerliefste uitdrukking van gelaat.
'Hè ja!' zei Mietje met de kalfsogen.
'We moeten mevrouw niet overhaasten,' zei mijn tante.
'Neen!' zei mevrouw Dorbeen, enigszins bleek wordende, 'als het dan moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan nog maar reis.'
En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen, bij iedere regel open te doen en bij 't invallen de caesuur toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat hese stem, die gedurig scheller werd

'Zo rust dan eindlijk, 't ruwe noorden
Van hageljacht en stormgeloei,
En rolt de Rijn weer langs zijn boorden,
Ontslagen van de winterboei.'

Toen zij zover gekomen was, hield mevrouw Dorbeen haar zakdoek voor de mond en had een hevige aanval van hoesten. Zij begon opnieuw en geheel in dezelfde toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder dan tot 'de winterboei.' Zodat mejuffrouw Van Naslaan dadelijk begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.
Mevrouw Dorbeen werd zo rood als de linten van haar muts, staarde in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken:

'Ontslagen van de winterboei.'

Nieuwe stilte.
'Die winterboei boeit je tong, lieve!' merkte mijnheer Dorbeen droogkomiek aan.
'Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!'

'Zijn waatren drenken de oude zomen,
En 't landvolk'

hier werd de stem zeer hoog:

'spelende aan zijn vloed,
brengt vader Rijn de lentegroet . . .'

Aldus ging mevrouw Dorbeen voort 0p een hartroerende wijze het hartroerende meesterstuk van de grote Borgers te bederven. Bij het derde couplet begonnen haar ogen te rollen, en bij het vierde rolden zij zo zeer, dat ik vreesde dat zij van haar wangen afrollen zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende gekomen tot:

'Noem hij deze aarde een hof van Eden,
Die altijd mocht op rozen gaan, . . .'
Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!'
klonk het over de tafel.
Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór de olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep nu waarom zij er zo op gesteld was geweest, dat mevrouw Dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw Dorbeens ogen, die net gereed stonden om met

'Ik wens geen stap terug te treden',

hevig uit te rollen, rolden terug
met de snelheid van een spoortrein.
'Wat is dat?' riep ze. 'Dat is een walsje,' zei haar man.
'Neem mij niet kwalijk, mevrouw,' smeekte mijn tante, 'ik had het opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid, dat het zo onverwacht begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zo mal in.'
Mijn tante zou gaarne, in dat ogenblik van verlegenheid, de gehele bronzen olifant de kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
'Ach, du lieber Augustin!'
Het was een tartend geluid voor mevrouw Dorbeen, en zij beefde inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:
'Och! het vers was zo goed als uit; de vrienden verliezen er niet veel bij. Nu zal Koosje wel eens wat willen doen.'
Koosje bloosde, en zei met de ogen op haar moeder geslagen:
'Ik kan niets wel moeder?'
'Stil!' zei Dorbeen: 'het verandert weer:'
'Où peut-on être mieux?'
En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forse tjingel besloot.
Mama Van Naslaan bleek van een mening te wezen tegenovergesteld aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had beleden; zij geloofde veeleer dat haar Koosje niet alleen iets, maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets in het midden te brengen, waarop mevrouw Dorbeen zei:
'Wel ja, laat je oor reis horen, Koosje! ik heb nu mijn plicht gedaan!'
En tante riep: 'Och ja, asjeblieft?' en mijnheer Dorbeen, zeer droogkomiek, rijmde:

''Kom Koosje,
lief roosje,
reciteer reis een poosje!'

En Mietje, die niets was, zei alweer: 'Hè ja!' en de oude Stastok zei: 'Komaan!' en stopte een pijp; en de jongere Stastok verstoutte zich om met een hoge kleur te zeggen: 'Toe, als 't u belieft!'
Maar het lieve kin bloosde zo sterk, en was zo angstig, en veronschuldigde zich zo smekend, dat tante er medelijken mee kreeg en zei: 'Koosje is misschien bang voor de vreemde heer; ik geloof dat we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor deze keer te goed houden!'
Waarop mevrouw Dorbeen, haar ogen zeer sterk op de snuit van de olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:
'Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde stellen! Mijnheer Hildebrand kan immers ook wel een kleinigheid!'
'Dat was goed,' zeiden allen, en mijn oom keerde zich om ten einde even op zijn horloge te kijken; want 'hij wou om de dood niet graag dat er nachtwerk van wierd.' Men stopte verse pijpen; de heren gingen zitten; de heer Van Naslaan met een zucht; de heer Dorbeen met het oog van een kenner; Pieter met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik stoorde mij volstrekt niet aan de heren, en plaatste mij zo, dat ik het lieve gezichtje van Koosje vlak voor ogen had; men moet wat hebben voor de moeite.
'Ik zal,' zeide ik, toen alles doodstil was, 'het gezelschap lastig vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling van een mijner vrienden, en uit het Frans.'
'Uit het Frans!' herhaalde de heer Van Naslaan, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.
'Kom aan, dat 's goed!' zei mevrouw Dorbeen.
Alles was doodstil om de vreemde stoethaspel te horen, maar geen der dames zag hem aan, vermits haar loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met uitzondering van mevrouw Dorbeen, die scheen te willen weten 'of hij goed met zijn ogen rollen zou'. Koosje zat hevig te festonneren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:

'Als 't kindje binnenkomt - '

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam - geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast en beladen met de aangeklede boterham in persoon, in de gedaante van een schat van broodjes met kaas en rookvlees, en een macht van ster-, ruit- cirkel-, klaverblad-, en visvormige gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijks leven de wiskundige naam van 'evenveeltjes' dragen. Mevrouw Dorbeen kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken.
Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met een 'evenveel'; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de uitwerking van de eerste regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer Dorbeen, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:

'Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedelste wellicht!)
Klaart voor de aanblik op van vrolijk aangezicht,
Met iedereen in vrede.
't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
As 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust, en tergt zijn dartle jeugd;
En moeders harte smaakt zijn zaligste ogenblikken.'
Mevrouw Dorbeen lachte goedkeurend.

Het Mevrouw Dorbeenhof in de zomer van 2014.
Het Mevrouw Dorbeenhof in de zomer van 2014.

De straat

De bouw startte in 2008 tussen de Beetsstraat en de Hildebrandstraat. De 300 meter lange woonwand van vier lagen langs het spoor aan de Hildebrandstraat op een halfverdiepte parkeergarage schermt het Grietje van Burenhof af tegen het spoorlawaai. De parkeerdruk en de geluidsbelasting zijn in één gebaar opgelost: de hoven zijn autovrij en bieden een beschutte semipublieke sfeer in de stad.

Het Mevrouw Dorbeenhof loopt vanaf de Beetsstraat naar de Hildebrandstraat.