Everhardus Johannes Potgieter (1808 – 1875) was een Nederlands schrijver.

-De Potgieterstraat werd op 14 februari 1921 in Spoorwijk door de gemeente Den Haag vastgesteld. De straat begint bij de Alberdingk Thijmstraat en eindigt bij de Oltmansstraat / Doctor Schaepmanstraat. De Potgieterstraat heeft nog volledig de bebouwing zoals deze tussen 1921 en 1923 werd neergezet.

E.J. Potgieter
E.J. Potgieter

Leven

Potgieter richtte in 1837 het progressief-liberale weekblad De Gids op. Hij haalde in 1863 Conrad Busken Huet bij het blad en koos in 1865 de zijde van Huet in een strijd met de overige redacteuren. Huet zag zich genoodzaakt zijn ontslag in te dienen, en werd gevolgd door Potgieter in 1866.

Zijn bekendste roman was Jan, Jannetje en hun jongste kind uit 1842 waarin hij het personage Jan Salie introduceerde, een personificatie van de 19e-eeuwse lamlendigheid. Alle zoons in het gezin heetten overigens Jan, en meerdere Jannen zijn in een uitdrukking terecht gekomen. Zo hadden ze Jan Rap, Jan Maat, Jan Contant, Jan Crediet, Jan Compagnie, Jan Cordaat, Jan Hen en Jan Klaassen. 

Potgieter zette de tijdgeest tegenover ruim drie eeuwen geschiedenis. Jan, Jannetje en hun kroost stonden voor Nederland en zijn historie. Ze personifieerden de natie. Zijn boodschap moest gelezen worden als een soort onheilstijding: Nederland was een ingedutte natie. De rijkdom van de Gouden Eeuw had de mensen lui gemaakt. Potgieter kwam in 1842 met zijn boek omdat het gehalveerde koninkrijk met zichzelf worstelde. In 1839 had Nederland definitief afstand moeten doen van België.

De laatste fase van zijn leven besteedde Potgieter aan de poëzie en aan een biografie van literatuurcriticus, filosoof en historicus Bakhuizen van den Brink.

Werken van Potgieter

Enige teksten uit de werken van Potgieter

1

Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841)

En leer op nietwes staat te maken
Als 't geen in eigen krachten is.

O.Z. van Haren.

Oudejaars-avond heeft in ons vaderland het eigenaardige behouden, dat weleer alles wat hollandsch was onderscheidde: hij is huiselijk en degelijk. Ik mag Jan en Jannetje wel, op den laatsten December, bij het invallen der schemering voor een groot vuur gezeten, in een vertrek, welks voorkomen ietwat feestelijk is; - ik mag het paar, dat met een opgeruimd gelaat de komst van hunne kinderen en kleinkinderen verbeidt, ten einde te zamen uitgang en ingang te vieren. Het pleegt een vrolijk uur te zijn, maar dat een ernstig doel heeft. Laat vreemdelingen beweren, dat er slechts halve vreugde heerscht, waar de lach uit tranen schemert; als zij een beetje meer zin hadden voor onzen volksaard, zouden zij er verstandelijke levensbeschouwing in zien, die over de zwakheden des harten zegeviert. Doch ik laat dien verdedigenden toon varen, hij strookt kwalijk met de stemming van het paar. 'Wat brui ik er me om, wat ze van mij zeggen!' zou mijn hoofdpersoon mij toeroepen; immers Jan is in den laatsten tijd voor lof en voor laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens aan zijne koude kleêren meer raken, - laat staan aan zijn onderziel.

En geen wonder!

Jan is zoo dikwijls opgehemeld, en Jan is zoo dikwijls uitgescholden, dat hij eindelijk heeft leeren inzien, hoe hij barsten zou als de kikvorsch, of de geelzucht krijgen als de nijd, indien hij eene hooge borst ging zetten bij ieder:

'Aap, wat heb je mooije jongen!'

van zijne vrienden; of zich kwaad bloed wou maken, bij elk:

'Fij, wat een goore paai is dat!'

van zijne vijanden.

Het is mij of ik Jan in deze ure hoor redeneren, zittende in zijnen leuningstoel, met de Courant van morgen, 1 Januarij 1842, vóór zich:

'Mijne talenten en mijne vernuften, - en ik heb er eene zoô onder mijne jongens! - mijne verhandelaars en mijne dagbladschrijvers, - wie drommel van beide zou wel de knapste wezen? - allemaal prijzen ze mij om het zeerst, en dat hoort niet anders: - al lees ik ze niet, ik betaal ze toch!'

'Wijfje!' - laat hij er op volgen, - 'reik mij vast een' schoonen Goudenaar uit die lâ, ik zal er den brand maar eens insteken. Wat komen de kinderen weêr laat, het is al over achten! Het is waar, de Synode van het jaar Zestien heeft ingevoerd, oudejaars-avond kerk te houden, - ge hebt immers wel gezorgd, dat er tabak in de doos is?'

2

Liedekens van Bontekoe (1840)

Sumatra dreef in vloeijend goud,

Dat van de hooge kamferboomen,

Die heerschers in een Indisch woud,

Op peperstruik en oobarhout,

Op beek en mos scheen neêr te stroomen.

Schoon welkomstgroet en liefdebeê

Den lichtvorst noodigden in zee,

Wier golven ruischten van verlangen,

Eer de oceaanbruid hem gedwee

In de open armen mogt ontvangen,

Riep hij een lang, een zoet vaarwel

U toe, o geurige Archipel!

En alles baadde zich in luister,

En alles dronk het vier der min

Van zon en zee wellustig in:

De tijger lekte in 't scheem'rig duister

Van 't roode hol zijn bronstig lief,

Terwijl zich de olifant verhief,

Om, met van drift gewiekte voeten,

Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,

Dat louter liefdespellen zag

In 't uur des echts van nacht en dag.

Helaas! de mensch voedde and're driften:

Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd

Van laag gewas en hoog geboomt',

Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften

En 't vonk'lend goud in donker blaauw

Verkeerde, een ranke, ruwe praauw

Op breeden vloed vast sneller voort,

Den haat, welligt den dood aan boord!

Een drietal mannen mogt ze dragen:

Twee wilden, naakt en bruin van leên,

Een witte schort om 't lijf geslagen,

Waaruit de scherpe kris verscheen;

Twee wilden, afgerigt op 't jagen,

Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,

Dat beurt'lings opsprong en verdween.

Waarom zij naar den boog niet tastten,

Wanneer ze een anteloop verrasten,

Schalk spelende op het oevermos;

Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,

Waar casnarissen hun pluimen

Van vlocib're paarlen deden schuimen,

Daar gaaikens staarden op hun dos?

Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,

Die school in 't loof, noch dook in 't nat,

Een blanke, dien zij met zich voerden,

Een blanke, die in 't midden zat,

Die aan zijn heup geen wapen had,

En, schoon geen banden hem omsnoerden,

Toch opzag en den Heere bad!

3

Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink (1890)

Toen wij in het voorjaar van 1867 allengs den zomer digter kwamen, die het standbeeld voor Joost van den Vondel eindelijk zou zien onthullen, mogt het schier dertig jaren geleden zijn dat de waardering van zijn genie als hekeldichter, waarmede thans dit deel1 van R.C. Bakhuizen van den Brink'sStudiën en Schetsen begint, in den eersten jaargang van het tijdschrift De Gids werd gedrukt: de wijze op welke het onderwerp daarin was behandeld, bleek mij zoo weinig verouderd, de gansche beschouwing scheen me nog zoo frisch toe, dat ik mij verlustigde in de gedachte haar bij die gelegenheid door de Commissie den feestelingen te doen aanbieden.

Er school iets aandoenlijks in den waan dat de verscheidene dus bij de verwezenlijking van zijn ontwerp zou tegenwoordig zijn; - tijds genoeg bleef nog ter onzer beschikking over, om het boekske eene gave te doen worden in ieder opzigt den hoogtijd waardig; - wie ter wereld dost zoo vlug uit als de verbeelding? Onze pers had dikwijls bewezen in geene verdienste van uitvoering bij de drukkunst uit den vreemde achter te staan; voor de illustraties, ter kenschetsing der ontluikende koopstad vereischt, mogt Rochussen's teekenschrift de borg der zege heeten; de dubbele gedachtenis, mijmerde ik, zou allen welkom zijn! Een volgend oogenblik, - ook de geestdrift is maar een voorbijgaand genot! - deed de bedenking gelden: Schatte misschien de ingenomenheid der vriendschap, den steller van het stukje zoo innig toegedragen, de waarde van zijn werk te hoog? - was de onderscheiding, bij het overdragen der statue aan het stadsbestuur, tevens de heugenis te verlevendigen van hem, die het eerst het besluit nemen deed 's Lands schuld aan zijn dichter te kwijten, ten volle verdiend?

Hoeveel geruster zou onze geest zijn gang gaan, indien elke twijfel zoo volkomen viel op te heffen als deze! Immers, bevoegder vernuften ter beantwoording dier dubbele vraag, dan een tweetal leden der Commissie zelve aanbood, leverde onze letterkunde niet op. Gedurende bijna drie lustrums hadden zij het algemeen om het zeerst met blijken hunner studie van Vondel verrast. Verscheiden mogten de vruchten van hunnen arbeid zijn gebleken, naar den verschillenden aanleg van dezen en van genen geest, - naar het standpunt dat hen geboorte, opleiding, omgang kiezen deed, - naar de vormen die hen, ter bereiking van hun doel, de passendste schenen, - beider streven was een wedstrijd geworden in kennis van het onderwerp, waarbij het oordeel der toeschouwers in veelzijdigheid won. Toejuiching bleek zoo den een als den ander ten deel gevallen; wien het onvermengdst? wien het meest? dat vermag slechts hij te beslissen, die het kleiner en grooter publiek, waartoe ieder dier auteurs zich meer bijzonder rigtte, evenzeer kent. Alberdingk Thijm toch had zich zeker niet met zulk een talrijk gehoor gevleid, als Jakob van Lennep gelooven mogt dat naar hem luisteren zou: ik heb daar twee namen genoemd, die mijn lezer reeds lang op de lippen speelden.

De potgieterstraat in 1962.
De potgieterstraat in 1962
De Potgieterstraat op dezelfde plek als de voorgaande foto, maar dan in 2010.
Potgieterstraat 2010