De Haagse letterkundige en predikant Conrad Busken Huet heeft slechts één roman geschreven, Lidewyde. Het boek is een voorloper van de naturalistische romans die tegen het eind van de eeuw het belangrijkste genre zouden worden. 

-De Lidewijdestraat loopt in een kromming van de Beetsstraat naar de Schimmelweg en loopt parallel aan de Busken Huetstraat. De straatnaam werd in 1921 verbasterd van Lidewyde naar Lidewijde.

Het boek

Lidewyde is opgebouwd uit drie delen: Een idylle, In het vuur en Nemesis. Het boek handelt over een overspelige vrouw die een jonge provinciale jongen verleidt en in het verderf stort. De personen in het boek waren gemodelleerd naar bekenden van Busken Huet. E. J. Potgieter stond bijvoorbeeld model voor de kunstschilder Aart Visscher. De Nederlandse kritiek reageerde ontsteld, vooral vanwege de openlijke erotiek. De negatieve reacties hadden wellicht ook te maken met het feit dat Busken Huet als literatuurcriticus altijd zeer kritisch over zijn collega-schrijvers was geweest. 

Lidewyde

De eerste regels uit de Lidewyde van Conrad Busken Huet

1

Een reusachtige tentwagen met zes banken, bespannen met drie kloeke paarden en geladen met wel vijfentwintig oudere en jongere burgerheeren, hield stil voor een gesloten tolhek aan den ingang van een bosch. Het was betrekkelijk nog vroeg in den ochtend; en de rijzende Julijzon moest op de weilanden, waaruit de laatste leeuwrik opsteeg om voor dien dag zijn zwanenzang te zingen, de laatste dauwdroppels nog van de grasscheuten drinken.
Uit de deur der tolgaarderswoning trad eene schoone jonge vrouw naar voren, gekleed in het eigenaardig huisgewaad der noord-hollandsche boerinnen: een korten zwarten rok, een gebloemd hoog jak, een kanten mutsje, strak over het hoofd gespannen en zonder strook de lijn van het voorhoofd volgend, zwarte wollen kousen en wippende muilen. Eene zuivere, hoewel kolossale afslag van den melk-en-bloed type, waaraan de vrouwen onzer volksklasse hare reputatie in het buitenland te danken hebben, was zij zonder overdrijving meer dan vijf voet hoog, en breed naar evenredigheid. Haar bovenarm, even zigtbaar onder de krachtig opgestroopte mouw, zou tot model hebben kunnen dienen voor de dij van een dier engeltjes, waarmede men in vorige eeuwen plafonds en schoorsteenstukken beschilderde. Doch haar mond was zoo fraai gevormd; bovenal, er was in den opslag van hare groote donkerbruine oogen iets zoo onschuldigs en daardoor zoo innemends, dat men ter wille dier schoonheden van hooger orde het overige onwillekeurig vergat.


- 'Goede morgen!' klonk het uit het rijtuig, met een hartig en hartelijk unisono; en de penningmeester van het gezelschap haalde uit zijnen buidel een groot stuk geld te voorschijn.
- 'Goede morgen, heeren!' antwoordde de boerin, lagchend en blozend om dien krachtigen groet uit zoo vele mannenkeelen te gelijk. 'De heeren treffen een uitgezochten dag,' liet zij er op volgen, met de eene hand haar knipje leegschuddend in de andere, en de dubbeltjes en kwartjes uitzoekend, die de onomkoopbare penningmeester haar blijkbaar niet geschonken zou hebben, al ware zij Hebe in persoon geweest.
- 'Een mooije streek, vrouwtje,' merkte een der toeristen op, met oogen vol onschadelijke bewondering, niet de streek, maar de welgemaakte boerin verslindend.
- 'En aan wien behoort dat optrekje?' vroeg een ander, links wijzend, waar, op eenigen afstand van het tolhek, eene kleine nieuwerwetsche woning zich verhief.
- 'Dat is Belvedere, van mijnheer Visscher, die hier winter en zomer buiten woont, om u te dienen,' antwoordde de Juno van het tolhek.
- 'Dank u,' zei de vrager, die door dit bescheid niet veel wijzer geworden was, maar zich hield alsof aan zijne wetenschap nu niets meer ontbrak.
- 'Betaald, koetsier! voor heen en terug,' riep de boerin den voerman toe.
De monster-tentwagen zette zich weder in beweging en verwijderde zich in de rigting van het woud. Toen de onschuldige bewonderaar van het vrouwelijk natuurschoon zich nog eens omwendde, ten einde een laatsten blik uit de vriendelijke oogen der boerin op te vangen, zag hij haar op den rug.

2

Zij stond met het aangezigt naar hare woning gekeerd, en breidde de handen uit naar een mollig en blozend kind, pas aan het loopen, dat, zwaaijend met de armpjes, haar te gemoet kwam waggelen. Vast om den anderen dag, gedurende de zomermaanden, kwam datzelfde rijtuig, steeds volgeladen met een ander personeel, hetzelfde tolhek door. Het was eene soort van omnibus, vrijwilligerdienst verrigtend tusschen de naastbijgelegen stad en het Duinendaalsche jagershuis. Nu eens bestond het gezelschap uit louter leden van het sterker geslacht: eene liedertafel, eene scherpschutters-vereeniging, een onderwijzerskring, eene synode. Andere keeren was het gemengd: regenten en regentessen eener combinatie van liefdadige gestichten, een leesgezelschap van heeren en dames, eene groene, of zilveren, of gouden bruiloft.

Alles maakte gebruik van het weldoorvoed driespan en van den boeijer op wielen; alles stroomde, van Junij tot Oktober, naar de bosschen van Duinendaal. Gezegend de man, die in het dorp van dien naam het burgemeestersambt vervulde! Twee veldwachters, zijne geheele politiemagt, volstonden om onder die duizenden van bezoekers de beste orde te bewaren. Nooit hoorde men in het jagershuis van drinkgelagen of vechtpartijen. Regende het, men dineerde in de groote zaal met hare gepleisterde muren, of onder het rieten dak der voormalige kolfbaan, of op het terras, onder de geïmproviseerde verandah van uitgespannen zeildoek. Scheen de zon, dan werden de tafels gedekt, hier in het groote grasperk achter het huis, op een afstand door een halven kring van hooge duinen tegen den noordenwind beschut, ginds in het bosch, tusschen beuken en dennen, of onder de takken van een breeduitgegroeiden eikenboom.

Wie op dit plekje zijnen dag kwam doorbrengen, had zich voorgenomen afstand te doen van alle eischen der gastronomie. Met geen ander doel begaf men zich herwaarts als om voor weinig geld het stil genot te smaken dat voor alle vreedzame lieden te verkrijgen is onder den blooten hemel. De grindweg, die van de stad naar Duinendaal voerde, doorsneed eene dier grazige vlakten waaraan ons landschap in sommige provincien zijn eigenaardigst karakter dankt. Vurige bewonderaars noemden dien weg den schoonsten der wereld. Met een regten hoek rustte zijn eene uiteinde op eene heirbaan, ter plaatse waar het breed geboomte eener statige heerenhofstede den horizont sloot en alleen hier en ginds, bij het omwenden, u een blik gunde op de bruine of witte zeilen in de daarachter stroomende rivier.

De Lidewijdestraat gezien vanaf de Beetsstraat
De Lidewijdestraat gezien vanaf de Beetsstraat
De Lidewijdestraat  loopt in een kromming van de Beetsstraat naar de Schimmelweg.
De Lidewijdestraat loopt in een kromming van de Beetsstraat naar de Schimmelweg.