> > >
Willem Jonckbloet
Willem Jonckbloet

Willem Jonckbloet

Hoe dikwerf zijt gij reeds beschreven en bezongen, Linde-blaedjens, luyster-vincken, eiken- en beukenloof, die het smaragden gewelf uitmaakt van ons bosch, ons juweel, den appel onzer oogen! Hoe dikwijls zijt gij reeds gevierd, van Dousa af tot aan Boudewijn; hoe menigwerf gehuldigd van Guiccardijn tot op v. d. Kasteele.

Physiologie van Den Haag door een Hagenaar werd in 1843 geschreven door de zes-en-twintigjarige Willem Jonckbloet (van het Jonckbloetplein). De schrijver nam de Hagenaars de maat en deze waren not amused: 'Jonckbloet mocht wel bidden, dat hij 't nooit had gedaan.' In dit fragment beschrijft Jonckbloet het tijdverdrijf van de elite en de wannabe elite bij de Tent in het Bosch en het Badhuis.

En met recht zijn wij er trotsch op, want: Weet gij mij één plaats te noemen, Die op zooveel schoons kan roemen? Die eeuwenheugende eiken, die majestueuze linden en beuken, dat malsche groen, die weldadige schaduw, die breede lanen, die heerlijke waterspiegels, die kweelende vogels, die boschjens en slingerpaadjens, die evenzeer zouden klappen als het bosschaadje

Het Haagsche Bos bij de Grote Vijver in 1859. Dit tafereeltje werd in 1859 vastgelegd door Carl  Mieling.
Het Haagsche Bos bij de Grote Vijver in 1859. Dit tafereeltje werd in 1859 vastgelegd door Carl Mieling.
uit de Granida, waar ter wereld is er de weerga van?

En toch, al die pracht, al die bevallige natuur, bestaat voor den hagenaar maar tweemaal 's weeks.

  • O datje hier Sundaeghs waert, dan hebben wy sulcken hooveeringh!
  • Ho, 'tis hier nou niemendallen, in de week is hier geen neeringh,
  • Maer allo heylighe daegs gaet hier de Veel met de Fluyt an hoort;
  • 't Gaet soo ondeughdelijcke moy, jy wilt wild worden dat ghy 't hoort,
  • Ho, 't is ien lust, als 't hier vol volcx, en so wat drock is.

Dan «wielen en wallen» en dringen en krielen en schuiven en schuren daar de haagsche vlinders dooreen in bonte groepen; dartel en stemmig, vrolijk en deftig, luidruchtig of geeuwend,

In een met koorden afgepaald krijt zitten de uitverkoornen het nuttige aan het aangename te paren, en daarom heen, als een perpetuum mobile, de drentelende schare.
In een met koorden afgepaald krijt zitten de uitverkoornen het nuttige aan het aangename te paren, en daarom heen, als een perpetuum mobile, de drentelende schare.
naar mate ze in katoen of satijn, kuitendekkers of elegante fraus gedoscht zijn - lachende gezichten staan in de omgekeerde reden tot den fatsoenlijken opschik naarmate tot de frissche groene volksjeugd behooren, of tot die zekere ze wereld, die op alles geblaseerd is, en wier grootste roem bestaat in het nil mirari, nil admirari.

Daar is in 't woud een lieflijk oord, Door geen penseel te malen! en zoo als het verder heet: dat oord is de succursaal van het groote Haagsche Zwaantjen, de Societeitstent, waar vedel en schalmei niet van idyllische herders, maar van bontgerokte soudenieren - tweemaal 's weeks de wufte menigte bijeenroept om te zien en gezien te worden.

In een met koorden afgepaald krijt zitten de uitverkoornen het nuttige aan het aangename te paren, en daarom heen, als een perpetuum mobile, de drentelende schare.

Eerzame burgers, koekebakkers, secretarissen van legatie, geldschieters, dominees, oude besjens, bloozende jeugd, schilders, winkeliers, graven en baronnen met al de kleuren van den regenboog op de borst, schooiers, deftige matronen, het renteniertjen van Smeets, en de waaghals, bluffers en volksvertegenwoordigers, winkeldochters en actrices, studenten en ministers, en midden daar tusschen de Lelieën, die niet spinnen noch weven, en toch prachtiger gekleed zijn dan Salomo in al zijne heerlijkheid.

Tussen 1819 en 1943 bezat de Nieuwe of Littéraire Sociëteit De Witte een dependance in het Haagsche Bos. Tijdens het  zomerseizoen werden hier  tweewekelijkse openluchtconcerten georganiseerd.
Tussen 1819 en 1943 bezat de Nieuwe of Littéraire Sociëteit De Witte een dependance in het Haagsche Bos. Tijdens het zomerseizoen werden hier tweewekelijkse openluchtconcerten georganiseerd.
Zijt ge, een weinig verveeld door hetgeen gij misschien onze ontijdige moralisatie noemt, na het eindigen der muzijk eindelijk uit het bosch geraakt, en hebt ge haastig wat gegeten, dan maar weder de straat op en u naar Scheveningen gespoed.

Diligences, omnibi, aardappelen en ander rijtuig, met twee en vier paarden bespannen, snellen in eene onafgebroken lijn langs de zeestraat, terwijl een onafzienbare tros van landzaat en van vreemden het gangpad daar neven opvult, als eene lange monsterachtige slang, wier staart aan de Scheveningsche brug steeds aangroeit en wier kop tot in de schuimende baren reikt.

Alles moet naar Scheveningen, het dorp is overheerd : de bovenkamers ingenomen door badgasten, de benedenvertrekken opgevuld met de vertegenwoordigers van het plebs, de werkende klasse, cornetjens en lange blaauwe jassen, die men, onder het voorwendsel hier zet men koffij en thee, gelegenheid geeft het loome bloed wat te prikkelen, door het sneeuwballetjen met de pijpensteel de rigueur.

Alles moet naar Scheveningen. De bovenkamers ingenomen door badgasten, de benedenvertrekken opgevuld met de vertegenwoordigers van het plebs.
Alles moet naar Scheveningen. De bovenkamers ingenomen door badgasten, de benedenvertrekken opgevuld met de vertegenwoordigers van het plebs.
Bij Habraken-Logger verzamelen zich de deftige burgers, koek- en broodbakkers, de patriciers van de epicerie, die gaarne het genot van lange pijpen en rooden wijn aan dat der zeelucht verbinden.

Op het aristocratische badhuis is plaats te kort. De duitsche graven en russische prinsen vol snorren en morgue nemen met de bonte troep, die gij heden morgen in en om de tent gezien hebt, het terras in : de bediening is slecht en de prijzen exorbitant hoog, het gezelschap zeer gemeleerd en het genoegen luttel, want men viert aan zijne vrolijkheid nooit den ruimen teugel, omdat men niet weet naast wie men zit.

Alleen een paar tafeltjens met jongelui gieren en lachen meestal ten koste van het publiek dat langzamerhand van de theetafels is opgestaan en stilzwijgend heen en weêr wandelt, tot dat de jager-muzijk de Eisenbahn-galop gespeeld heeft, die het teeken tot den aftocht geeft.

De conducteurs der diligences doen hunne dissonanten hooren, de adelijke caleches rollen weer stadwaarts en de bonte menigte gaat of stormt of dweilt veel luidruchtiger dan in het heengaan naar zijne kwartieren terug.

En zoo is de dag der ruste ook al weder taliter qualiter doorgeworsteld.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven