> > >
J.C. Bloem
J.C. Bloem

J.C. Bloem

Doodstille decemberdag,
Nevel en stilte overal.
Geen enkel geluid maakt gewag
Van een wereld van schijn en schal.

Scheveningen: mistige wintermiddag (1922)

Landwaarts is het kil, maar de kust
Is zoel als een najaarsnoen.
Betogen door een rust
Als van een eeuwig seizoen.

Na de ijdele praal van feest
Schijnt het wanstaltig vertoon
Van bouwsels en plompen geest
Verheven en bijna schoon.

De zwarte brug in de zee
Reikt naar den wolkenden gloor
Van een zon, die niet blonk, en verglee’
In den zilveren mist teloor.

Wat vissers langs ’t eenzaam strand.
En kindren, spelend op straat —
En de golven, spoelend aan land,
Het geruis dat hen nooit verlaat.

O meisje, o jonge bruid,
Uw lippen zijn warm en rood.
Het leven dat niemand stuit.
Bloeit eens uit uw wachtenden schoot;
Gij lacht, en uw stap klinkt luid —
Maar het eind van dit al is de dood.

 

Cultuur

Wijken

Ga naar boven