Louis Poepjes, Keutelland's meest gevierde romancier, wandelde, in gecadanceerde heup-wieging, door de winkelstraten. Het hoofd met den glimmenden, kreukeloozen cylinder hield-ie ietwat gebogen, naar rechts, als in peinzing.

Johan Broedelet
Johan Broedelet

Hofstad

Johan Broedelet

De opa van de bekende Haagse schrijver Remco Campert, Johan Broedelet, schreef in 1909 een roman, Hofstad, waarin diverse bekende Hagenaars figureerden. De namen van de betrokkenen werden veranderd, maar het Haagse publiek herkende in 1909 gemakkelijk de pseudoniemen.

In het onderstaande hoofdstuk uit dit 500+ pagina's tellende boek figureren drie Hagenaars, twee bekende winkels en een roman.

- Louis Poepjes → Louis Couperus
- De douairière van Nebdal → Johanna barones Sloet van Toutenburg. Zij was getrouwd met de adjudant van koning Willem III en woonde op de Prinsessegracht 10
- Mode-zaak van Boulonaise → Maison de Bonneterie aan de Gravenstraat
- Jacobi → Louis Justman Jacob had een kapperszaak aan de Korte Poten 40
- Eline Verhaeghen → Louis Couperus schreef de roman Eline Vere in 1887-1888.

Louis Couperus
Louis Couperus
Z'n kleeding was gansch correct zonder één schreeuwend kleurtje of 'n lijn van onvolkomenheid. 'n Witte bloem in 't knoopsgat acheveerde 't geheel. Z'n wandelstok droeg-ie wat hoogjes, als 'n fragiel bouquet dat-ie zoo dadelijk 'n prinses der phantasie aanbieden moest, tikte er niet mee op den grond. Z'n gang had dan ook 't zwevende van een, die de aarde nauw voelt.

Poepjes wandelde zoo al 'n poosje. Hij was uitgegaan, 'n hoofdstuk te overdenken van z n nieuwen roman, „Eline Verhaeghen". Hij kon er geen zinsbouw voor vinden voor 't moment, die 'm rank genoeg voorkwam en toch sterk, onbreekbaar. Het kostte 'm moeite deez' maal. En dat irriteerde 'm, o, affreuslijk!

Anders schoten de zinnen bij 'm op als lijnen van licht, serpentinende woord-reeksen, die vanzelf hun weg vonden in de koele, geamberde ruimten, waarheen hij ze slingerde met licht gebaar.

Het standbeeld van Eline Vere aan de Groot Hertoginnelaan.
Het standbeeld van Eline Vere aan de Groot Hertoginnelaan.
Anders vuurpijlden z'n woorden, vonken- schietend, in sierlijke lijn tot de sterren, die ze kusten met zoet lippen-gelonk en weening van geluk in de geëxtasieerde oogen, om dan weer, boog-beschrijvend, neer te dalen als lelie-treurnis, vol van onzeglijken weedom, die op zichzelf weer 'n zaligheid was. Anders parelden z'n zinnen als champagne in fijn geslepen fluit, rankten z'n beelden zich als wezens van droom in morgennevel, ontwiekten blanke klank-trossen z'n stamelenden mond lijk duiven, die 't hemel-hoog bestormen.

Anders, anders, ja, anders. Maar nu wilde 't niet zooals hij wilde, stuitte-ie telkens op moeilijkheden, die 'm beletten, voort te gaan. Dat vervulde 'm met 'n donszachte melancholie, waarin zich te verdiepen 'm 'n zoete weelde was. In die stemming lag z'n ziel als op watten, gleed z'n heele zijn in 'n étui van gecapitonneerde satijnigheid, waarin hij zich veilig gevoelde voor de ruwheden der wereld. Poepjes weende binnenwaarts 'n juweelen traan.

Hij hield stil voor 'n winkel, zonder 't te weten. Z'n verfijnde kop met 't pruime-mondje, dat enkel fondant leek te savoureeren en caramel en praline, met de lichte, hoogere-regionen-oogen, 't blanke, eventjes bepoeierde vel en de weerstrevende snor-ontluiking, weerkaatste zich in den etalage-spiegel.

En als hij dan zichzelf ontwaarde, dien persoon daar in 't correcte wandelcostuum, n bloem in 't knoopsgat, woordjesreeg- ie zachtkens met 'n egale verwondering: „Dat ben ik. En toch, het is me, als was ik het niet. Ja, ben ik het wel? Neen, ik ben het niet.

Maison de Bonneterie in 1926  in de tijd dat Louis Poepjes (Louis Couperus) hier rond liep. Met links het Gouden Hooft.
Maison de Bonneterie in 1926 in de tijd dat Louis Poepjes (Louis Couperus) hier rond liep. Met links het Gouden Hooft.
Het is mijn dubbel-ik, waarachter ik schuil ga altijd, altijd. Mijn wezen is een geheim, een groot geheim.

Wat daar schimt in dien spiegel-glans .... Maar heb ik dat niet al eens gezegd in 'n roman? Ik geloof 't wel. 'k Heb er al zoovele geschreven, twee en veertig of daaromtrent. En er komen er nog meer, nog meer. Het houdt niet op, ik kan 't niet helpen.

Altijd weer zingt't en neuriet en sprankelt t in me. Ik moet, ik moet. Is het niet vreeslijk? Ik ben n wonder van leste subtiliteit, 'n porseleinen vaas, waarin t telkens en telkens opnieuw weer bouquet, 'n zomerwolkjes-hemel, 'n zachte avondgloed , 'n puissante wel van sensibiliteit .

Ik ben . . . . ik ben Louis Poepjes."

Louis Couperus wandelde door de stad als een  zwierige, altijd laconieke, vrouwelijke dandy. Louis de Leeuw tekende deze spotprent in 1917.
Louis Couperus wandelde door de stad als een zwierige, altijd laconieke, vrouwelijke dandy. Louis de Leeuw tekende deze spotprent in 1917.
Nu zag-ie, dat-ie stond voor de mode-zaak van Boulonaise. En dadelijk viel z'n oog op 'n uitgezocht costuum van zalm-kleur met wit satijn en zwarte kant en garneersel van zilver-flitsende pailletten. „Voor mijn Eline" dacht Poepjes en hij stond in extase, 't Toilet fascineerde 'm.

'n Rijtuig rolde aan, hield stil. Met moeite stapte 'n kogelvormige dame uit, de oude douairière van Nebdal. De palfrenier hielp 'r, droeg 'r ook 't hondje na, waarvan ze onafscheidelijk was. Om 't vlok-harige bibber-beestje dan ook voornamelijk deed ze Boulonaise aan. Z'n dekkleedje miste 'n knoopje, had ze te laat bemerkt. Dat liet ze daar nu aanzetten, 'n Douairière van Nebdal kon dat doen.

De winkeljuffrouwen, 'n stoel aanschuivend, waren dadelijk één verrukking over 't mormel, ,,'t Lieve dier" zei een en ze knee^ 'r oogen half dicht, als betrachtte ze 'n byouterie. De chef zelfs, naar voren tredend, na 'n zeer diepe buiging voor de hooggeachte klant, keek minzaamst op 't verweekte schoot-moffeltje neer, dat nu, trillend over heel z'n lijfje, op de toonbank stond, aangenaaid te worden.

Maison de Bonneterie aan de Gravenstraat 4 gezien vanuit de poort aan het Binnenhof in 1925.
Maison de Bonneterie aan de Gravenstraat 4 gezien vanuit de poort aan het Binnenhof in 1925.
De douairière met 'r opgeblazen, paars gezicht, waarin de purperende neus-knobbel vadsig lag als 'n aardbei in bed van winterkool, staarde star voor zich, er aan gewend, dat ze slavig bediend werd.

Om haar en 'r lieveling was 'n sfeer van admiratie, 'n stilte breidend, welke slechts door 't geblaas van de douairière zelf om 'r dikkigheid bij tusschenpoosjes oneerbiedig werd verstoord. Bij Boulonaise wist men, hoe de geëerde cliënteele te cajoleeren.

Toen Poepjes, gemagnetiseerd door 't etalage-toilet, binnen trad, was er nieuwe vreugd onder 't personeel. De chef, met 'n „wel vereerd"-houding, gleed op 'm toe, stelde zich dadelijk onderdanigst beschikbaar.

De juffrouwen, met gefluister de hoofden naar elkaar toe, zonden uit de verte blikken van veneratie naar den grooten romancier, van wien ze reeds menig werkje gelezen hadden en die in een van z'n hoofdstukken ook 'n exquise beschrijving van Boulonaise gaf.

De douairière, iets vernemend van den naam Louis Poepjes, keek even op, blikte dan echter dra onverschillig 'n anderen kant uit. Zij vond, Keutellanders kónden niet schrijven, zooals ze ook geen comedie konden spelen of zingen of muziek maken of wat dan ook. Voor al die dingen moest je in 't buitenland zijn. 

 

Maison de Bonneterie richtte zich op de luxe, kwalitatief hoogwaardige confectie. Het gebouw aan de Gravenstraat werd in 1913 ontworpen door architect Alphons Jacot. Het pand won in 2016 de Haagse Monumentenprijs.
Maison de Bonneterie richtte zich op de luxe, kwalitatief hoogwaardige confectie. Het gebouw aan de Gravenstraat werd in 1913 ontworpen door architect Alphons Jacot. Het pand won in 2016 de Haagse Monumentenprijs.
Poepjes, in lispeling van wat gemaniereerde woordjes, vroeg preciese détails, zooals slechts 'n vakman die kan geven, aangaande 't ravissante costuum, dat 'm al 'n kwartier zoo occupeerde. De chef, gewillig, gaf elke gewenschte explicatie.

De douairière intusschen werden, zonder dat ze er direct naar gevraagd had, eenige stoffen getoond, welke zoo juist, naar men zei, gearriveerd waren. Zoo kwam 't, dat 't schootmormel, weer van 't bepaalde aantal knoopjes voorzien, zich 'n oogenblikje vrij voelend, 'n snuffel-wandelingetje op eigen houtje waagde, met 't noodlottige gevolg, dat-ie door Poepjes deerlijk op de teentjes werd getrapt, 't Beest kermde erbarmelijk.

De douairière, op 'r stoel, plofte twee millimeter op met 'n vaag gevoel van pijn ergens in die streek, waar, wel van vet ompantserd, 'r hart nog kloppen moest.

Het trappenhuis had een kostbare houtafwerking. Wanneer de deftige klant de Bonneterie betrad, werd deze door een chef ontvangen en toevertrouwd aan een verkoopster.
Het trappenhuis had een kostbare houtafwerking. Wanneer de deftige klant de Bonneterie betrad, werd deze door een chef ontvangen en toevertrouwd aan een verkoopster.
Dan, in verontwaardiging, zei ze, vrij verstaanbaar: „Vlegel!", wat 'r op te luchten scheen. Ontsteld schoten de juffrouwen toe. De chef, in moeilijke positie, trok 'n bedenkelijk gezicht.

Poepjes zelf, verschrikt om dat affreuse geluid, dat daar van aan z'n voet tot 'm opklonk —abominabel,'t gejank van zulk 'n creatuur! En dat juist terwijl-ie, in fluweelzachte aanschouwing van dat delicate toilet, revasseerde over z'n Eline, hoe-ie 'r kleeden zou in dat hoofdstuk, dat met 'n bal begon —

Poepjes bracht haastig de handen naar z'n ooren, niets meer te vernemen van dat afschuwelijke gehuil, dat zoo in wanklank was met de sereene rust in de weidsche Boulonaise. Dra echter weer hersteld, bukte-ie zich, even den sleep te betasten van 't exquise costuum, waaraan vooral die zilverige pailletten 'm zoo bekoorden.

Doch op 't zelfde oogenblik haast, met 'n hoog gilletje, schokte-ie weer op, de hand voor zich uithoudend. En, na n aarzeling nog van 'n seconde, riep-ie onwillens, met iets van zeer groote smart:

„Gèdverdèmme, 'n plèsje!" en hij staarde ontsteldst. Inderdaad, 't bibber-beest, in z'n angst, was onvoeglijk geweest.

En Louis Poepjes, de excellente romancier, wiens binnenste schreide, na 'n geprecipiteerde handwassching aan 't fonteintje in een van de couloirs achter de uitgebreide magasins, snelde de Boulonaise uit, met gechoqueerde stapjes de richting inslaand van Jacobi, den coiffeur, de eenige die'm met z'n waters en odeurs ganschlijk reinigen kon van de smet, m daareven aangedaan.

Maison de Bonneterie sloot in augustus 2014 de deuren. De foto werd in september van dat jaar gemaakt.
Maison de Bonneterie sloot in augustus 2014 de deuren. De foto werd in september van dat jaar gemaakt.
Met 'n haat-flitsinkje dacht hij, de anders zoo azuur-hemelig gestemde, aan de douairière van Nebdal, die 'm vlegel gescholden had, hèm, den eenigen waarachtigen aristocraat van heel Hofstad!
Naar jacobi, Jacobi! 

Jacobi

Jacobi maakte z'n schoonste buiging. Dit zei veel. Hij had ze in drie soorten: één, minzaam, met iets vertrouwelijks — in zooverre er ooit van vertrouwelijkheid sprake kon zijn bij den onvergelijkelijken haarprofessor — voor de vaste cliënteele, welke-ie als z'n vrienden beschouwde; één, met 'n tikje verwondering, lichtelijk aanmoedigend, voor 'n nieuweling of 'n toevalligen bezoeker van z'n kapsalon en één, zeer diep, met buitengewone élégance uitgevoerd, voor de excellente gasten, die met hun tegenwoordigheid de renommée van z'n zaak nog releveerden.

De kapper Louis Jacob voor de deur van zijn winkel aan de Korte Poten 40.
De kapper Louis Jacob voor de deur van zijn winkel aan de Korte Poten 40.
Tot die laatsten behoorde zeker ook de roemruchtige Louis Poepjes en dus, nu die binnen kwam, gehaast, met iets wankelends, slachtoffer van z'n nerven scheen 't, nam Jacobi z'n paradepose aan, waarbij z'n fameuse, grijze krullekop de laagte in ging, als wou-ie er den vloer mee vegen.

En, terwijl Poepjes, zichzelf nog altijd niet goed meester, z'n hoed en stok aan den bediende gaf, schoof-ie persoonlijk 'n stoel klaar voor den romancier, wiens élégantie 'm immer verrukte. „Wat is er van uw orders, meneer ?" vroeg de bediende en hij verschikte iets op de kaptafel. Maar Poepjes, met de hand afwerend, zei met gesmoorde stem en z'n oogen staarden met eenige ontzetting naar dat beeld daar van 'm in den spiegel: „Laat me, laat me, alsjeblieft. Straks, straks. Ah, 't was affreus, affreus."

De bediende, eenigszins verwonderd, trok zich terug, 'n vragenden blik op z'n chef. Die, wiens waardigheid niet toeliet, dat-ie zich zichtbaar verbaasde, wenkte 'm, heen te gaan, bleef dan — er waren geen andere bezoekers op dit oogenblik — alleen met den schrijver, benieuwd, of deze z'n gemoed storten zou aan zijn welgeparfumeerde borst.

Dra, na 'n tiental zuchten, die zich langzaam aan 'm ontwelden als moesten ze eerst stuk voor stuk 'n grafsteen keeren, luchtte die z'n hart bij den vermaarden coiffeur. „Ah, Jacobi, Jacobi!" lispelde Poepjes en z'n oogen namen 'n uitdrukking van wanhoop aan, dat ze gansch en al tot geschilde amandels werden.

De Korte Poten rond 1900. Met op huisnummer 40 de deftige kapper Jacob.
De Korte Poten rond 1900. Met op huisnummer 40 de deftige kapper Jacob.
„Ah, als je eens wist, eens wist. . . . Jacobi, 't is. . . .'t is afschuwelijk." Even stopte Poepjes, nog 'n na-stroom van zuchten door te laten, die Jacobi eerbiedig aanhoorde, verrukt dat de onovertroffen romancier 'm zoo in 't vertrouwen nam.

Dan zei die plots, één hand naar 'm uitstekend, terwijl-ie zelf 't hoofd afwendde, als wilde-ie er zoover mogelijk vandaan blijven: „Jacobi, die hand. Ziet ge die hand?" Jacobi zag 'r en hij zei zulks. „Nu dan, Jacobi, riekt ge er iets aan? Riekt ge?" („Ruikt ge?" klonk Poepjes zeker te banaal).

Jacobi, zich ietwat buigend, rook met aandacht, haalde zelfs op 't end z'n neus hoorbaar op. Doch hij kon niet zeggen, dat z'n reukorganen iets bijzonders gewaar werden. En ook zülks zei-ie.

Het naamschild van Maison de Bonneterie dat naast de deur hing.
Het naamschild van Maison de Bonneterie dat naast de deur hing.
„O, Jacobi!" barstte Poepjes dan los en hij trok z'n hand terug, betrachtte die. „Deze hand, ziet ge, m'n trouwe haar-verzorger, deze, 'k mag zeggen, blanke, fijngeaderde hand, die gemaakt is als om enkel rozen te schikken in kostbare vaas, deze hand, die nooit anders dan heel teere dingen beroerde, deze hand, Jacobi, waarmee ik prachtwerk na prachtwerk 't menschdom voor de voeten slingerde, deze formidabele, zij 't tengere hand, Jacobi, die de beeldrijkste, zangerigste, sterkst gerozenoliede regels op 't papier zette, deze geheiligde hand is ontwijd, Jacobi, door. . . . door. ... O, dat afschuwelijke dier van de douairière van Nebdal, dat onbeschrijflijk akelig beest, dat O, Jacobi, Jacobi!"

Tranen sproten uit de hoogere-regionen-oogen en, met horten en stooten, vertelde Poepjes, wat 'm bij Boulonaise overkomen was.

En, als eindelijk Jacobi alles wist, riep de schrijver geëxalteerd uit en hij hief zich half, als wilde-ie zichzelf reeds helpen: „Uwe flacons, Jacobi, uwe wateren, uw odeurs, uw savons! Reinig mij, reinig mij welriekend van dat akeligvieze, dat nu nog aan mij is. Reinig mij, reinig mij, Jacobi en ik wijd u een mijner schoonste hoofdstukken van m'n aanbiddelijke „Eline".

Uw parfums, Jacobi, uw pommade, uw crèmes! Maak mij weer blank, o, blank als voorheen!" Op van die laatste tirade zakte Poepjes als 'n geknakte lelie in z'n stoel neer en Jacobi, vol vuur voor die schoone opdracht, den excellenten romancier van de laatste smet te ontdoen, die misschien nog aan 'm kleefde, rukte haastig wel 'n twaalftal verschillend gevormde flacons aan, ontstopte die energiek en, terwijl-ie van aller inhoud op de fijne hand van Poepjes liet loopen, noemde-ie op: „Ah, uw dienaar, uw dienaar. Wel vereerd!

Maison de Bonneterie sloot op 25 augustus 2014.
Maison de Bonneterie sloot op 25 augustus 2014.
Hier, mijn Peau d' Espagne, zoet als madera. Verrukkelijk, verrukkelijk! Nu mijn Jockey-club, ah, ah! Hoe vindt ge die exquise .... Wat heb ik daar ? O, mijn onovertroffen Oeillet blanc ! En wat Royale Orchidée en 'n tikje Windsor Bouquet. Haha, de hand wordt weer blank, blank als 'n bloem. Doch wij zullen nog meer .... Zie, mijn Lilas Blanc. Ja, dkt zocht i k . En nu wat Springflowers en Giroflée en AmbreI déal . En straks nog crème d'Ispahan en .... O, welk 'n gaard van geuren, welk 'n reclame voor mijn zaak.

Ik giet, ik giet." Verbaasd luisterde Jacobi naar zichzelf. Werd hij ook al dichterlijk, enkel door de aanwezigheid van Poepjes? Ja, zoo iets stak aan. Als Jacobi eindelijk meende, dat de hand genoegzaam gereinigd was, droogde-ie die voorzichtig met 'n fluweel- zachte doek en Poepjes, weer wat gerust, terwijl z'n gelaatsuitdrukking iets kalmer werd, dankte 'm met zeer groote innigheid. „Merci, merci, mijn brave Jacobi. Ha, ik word mijzelf weer, ik ben weer Louis Poepjes.

Het borstbeeld van Couperus aan de Surinamestraat in december 2017. Het negentiende-eeuws aandoende  hekje werd in 2016 geplaatst.
Het borstbeeld van Couperus aan de Surinamestraat in december 2017. Het negentiende-eeuws aandoende hekje werd in 2016 geplaatst.
Merci, merci! — Ah, Jacobi, hoe gaarne toef ik in uw salon! Hier niets van de ruwheid der wereld! Hier enkel 'n zachte, streelende behandeling en geuren, geuren, geuren  .. 

Maison de Bonneterie (B) in 1923.
Maison de Bonneterie (B) in 1923.

 

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven