W.A.P. Smit

Weerzien met Den Haag

Ginds heft de oude Jacobstoren
zijn grijze kantwerk aan de lucht,
bescheiden en welhaast verloren
temidden van het stadsgerucht.

Nog altijd voert naar Scheveningen
de weg die rechtens Zeestraat heet,
maar waar eens wolken stuifzand hingen
ruisen de bomen, hoog en breed.

De Bosjes liggen er te dromen
in speels gefluister van de wind,
tot 's avonds de gelieven komen
en teerder fluisterspel begint;

En Zorgvliet aan de overzijde,
hoe ongastvrij zijn muren doen,
geeft aan mijn Zeestraat ten geleide
de wissselpracht van elk seizoen.

Maar wie durft dit als schoonheid roemen
bij de volmaaktheid van het Bos,
dat warmer kleuren draagt dan bloemen
en zachter tinten in zijn dos?

Langs smalle vijvers slingren paden,
en om de bomen bij een brug
weeft zonnelicht zijn ijle wade -
het water spiegelt het terug.

Wie wat terzijde af durft wijken,
vindt plotseling het diepe rood
van beuken of het brons van eiken,
waar 't lage hout een doorkijk bood.

Maar wie die pracht heeft ingezogen,
keert langzaam over 't Malieveld
en leest verbaasd in hertenogen
dezelfde weemoed die hem kwelt. -

Den Haag! Nog zou ik willen prijzen
de mildheid van uw coloriet,
en met uw brede wegen reizen
in 't uiterste van uw gebied.

In 't westen achter Eik-en-Duinen
verliest de Laan van Meerdervoort
zich waar hij in een wijk van tuinen
uit Meer-en-Bosch de vogels hoort.

Maar overal zijn nieuwe wijken
waar 't steenrood van de muren blinkt
in 't geel en wit van bloemenrijken
en elk geluid nog zuiver klinkt.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven