Han G. Hoekstra
Han G. Hoekstra

Han G. Hoekstra

Een lied voor 's-Gravenhage (1933)

Ook wie - verliefd op Amsterdam
en zo verliefd als ik -
van 's-Gravenhage afscheid nam,
bekent elk ogenblik
dat hij haar nooit geheel ontkwam
en nooit geheel ontkomen kon
omdat de wereld daar begon.

En aan zijn Amsterdamse gracht
gezeten wil 't soms zijn
dat hij al mijmrend onverwacht
weer in Den Haag kan zijn
- gedreven door een vreemde macht -
en denkt: zo statig welbeschouwd
staat er geen boom als aan 't Voorhout.

Hij loopt weer droomrig van het Plein
de poort naar 't Binnenhof,
goudglanzend staat er de fontein
en zingt haar stille lof;
en op de Plaats wil hij weer zijn,
op Kneuterdijk en Vijverberg,
daar schuilt van de oude stad het merg.

Hij doolt langs 't Scheveningse Veer,
blijft bij de stallen staan...
Hij is de jongen van weleer,
en op de Maliebaan
ruikt hij het gras, ziet 't vuurwerk weer;
dan breekt tussen de bomen los
een mars van de Muziek in 't Bosch.

Hij was er kind, hij werd er groot
en proefde er vreugde en leed,
hij won er liefde en dagelijks brood;
al wat men zoal weet,
dat weet een stad en legt het bloot
zonder misbaar en welgezind
ook aan haar meest ontrouwe kind.

Totdat dit eens in Amsterdam
terugdenkt aan zijn stad,
waarvan het slordig afscheid nam,
maar die het niet vergat;
waaraan het nooit geheel ontkwam
en nooit geheel ontkomen kon,
omdat zijn wereld daar begon.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven