Een machtsstrijd tussen de stadhouder Maurits van Oranje en de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt werd de laatste in 1619 fataal. 335 jaar jaar later werd de grote staatsman herdacht met een standbeeld.

Johan van Oldenbarnevelt (rechts van het midden) aan de wandel op het Binnenhof. Links achter is de Hofkapel zichtbaar.
Johan van Oldenbarnevelt (rechts van het midden) aan de wandel op het Binnenhof. Links achter is de Hofkapel zichtbaar.

De aanloop

Johan van Oldenbarnevelts grootvader Reyer van Oudenbarnevelt was lid van het stadsbestuur van Amersfoort. Zijn zoon, Simpele Gerrit, raakte aan lager wal. Johan werd in 1547 geboren en erfde van zijn vader drift, wraakzucht en een neiging om risico’s te nemen.

Toen Van Oldenbarnevelt in 1564 zeventien jaar oud was, vertrok hij naar Den Haag om er te werken bij een advocaat.

In de zeventiende eeuw gaf een adellijke afkomst een voorsprong op de gewone bestuurders. Van Oldenbarnevelt was een beetje een bluffer en hij werkte al van jongs af aan aan zijn status en rijkdom. Hij trouwde met Maria van Utrecht, de erfgename van maar liefst vijf heerlijkheden. Later wist hij zijn kinderen in de hogere standen uit te huwelijken. Uiteindelijk stierf hij als schatrijk ridder.

Johan sloot zich in 1572 aan bij de ideeën van Willem van Oranje. Na de dood van deze vader des vaderlands benoemde de 38-jarige Johan eind 1585 de 18-jarige prins Maurits tot stadhouder van Holland en Zeeland.

Johan van Oldenbarnevelt in 1615. Met linksboven de lijfspreuk van zijn overgrootvader: nil scire tutissima fides, niets te weten is het veiligste geloof.
Johan van Oldenbarnevelt in 1615. Met linksboven de lijfspreuk van zijn overgrootvader: nil scire tutissima fides, niets te weten is het veiligste geloof.
Later werd Maurits ook de stadhouder van Utrecht en Overijssel(1590), Gelderland (1591), Groningen en Drenthe (1620). De carrière van Van Oldenbarnevelt nam een vlucht in 1586 toen hij Paulus Buys opvolgde als 'advocaat van den lande' (een titel, die in 1630 veranderde in 'raadpensionaris'). Hij besteedde de rest van zijn leven aan de oorlog tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog.

Haagse Adressen

Van Oldenbarnevelt woonde in een groot huis in de Spuistraat. Johan gebruikte echter de uitgang in de Gortstraat om via het Stalsteegje iedere dag naar het Binnenhof te wandelen. De raadspensionaris verkocht het pand in 1611 aan Adriaen van Mathenesse, heer van Rivière en Opmeer en vanaf dat moment werd het gebouw het huis van Mathenesse genoemd.

Kneuterdijk

Een jaar eerder, in 1610, had Van Oldenbarnevelt een oud huis aan de Kneuterdijk gekocht. Hij liet datzelfde jaar het westelijk deel van het pand slopen. Hij bouwde daar een groot huis voor zichzelf (huisnummer 24) en rechts daarvan een kleinere woning voor zijn zoon Reinier (op de hoek met de Parkstraat). Het pand links (op nummer 22) was ook al eigendom van Van Oldenbarnevelt. Hij schonk dit gebouw aan zijn dochter Maria en haar man Cornelis van der Mijle.

Huisnummer 20 werd honderd jaar later in 1717 het achttiende-eeuwse paleisje op de hoek met de Heulstraat, gebouwd voor Johan Hendrik graaf van Wassenaer-Obdam. Dit is het huidige Paleis Kneuterdijk. In 1983 werden de nummers 20, 22 en 24 samengevoegd voor het kantoor van de Raad van State.

De Kneuterdijk 22 in 1718. Johan Van Oldenbarnevelt liet dit hoge huis bouwen in 1611. Het pand rechts ernaast werd bewoond door Johans zoon Reinier. Daarnaast staat de Kloosterkerk.
De Kneuterdijk 22 in 1718. Johan Van Oldenbarnevelt liet dit hoge huis bouwen in 1611. Het pand rechts ernaast werd bewoond door Johans zoon Reinier. Daarnaast staat de Kloosterkerk.
Het landgoed Westkamp of West-Escamp lag aan de Houtweg (nu Kapelaan Meereboerweg) op 20 minuten van Loosduinen. Het werd in 1615 door Van Oldenbarnevelt gekocht. Na zijn dood in 1619 ging het buitenverblijf over op zijn zoon Reinier, Heer van Groeneveld. Na zijn dood bleef de weduwe, Vrouwe van Brandwijk en Gijbeland, er met haar tweede man de dichter Jacob Westerbaen (van de Westerbaenstraat) tot 1648 wonen.

De oude Johan werd in 1619 begraven in de Hofkapel. Bij opgravingen in 1770 en 1879 werd zijn lichaam echter niet gevonden.

Stadhouder Maurits

Maurits was de tweede zoon van Willem van Oranje. Hij woonde vanaf 1575 in Den Haag. Zodra hij achttien werd, kon Maurits een deel van de functies van zijn vader overnemen en werd hij officieel benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland.

In het Haags Historisch Museum hangt dit schilderij van prins Maurits te paard uit de tweede kwart van de 17e eeuw. De schilder is Jacob Frans van der Merck.
In het Haags Historisch Museum hangt dit schilderij van prins Maurits te paard uit de tweede kwart van de 17e eeuw. De schilder is Jacob Frans van der Merck.
De Staten-Generaal benoemden Maurits  in 1587 tot legeraanvoerder. De periode van 1588 tot 1598 vormde daarop de hoogtijjaren van Maurits. Hij werd gesteund door Van Oldenbarnevelt die ervoor zorgde dat de altijd zuinige Staten-Generaal het geld fourneerden voor zijn veldtochten.

Geleidelijk aan kreeg Maurits, die als humanistisch georiënteerde de klassieken had bestudeerd en daarbij veel over krijgskunde had geleerd, de reputatie de beste veldheer van Europa te zijn.

Uiteindelijk veroverde Maurits 43 steden en 55 sterkten en verschansingen.

Onenigheid

De manier waarop Maurits oorlog voerde, dure langdurige belegeringen in plaats van moordende stormaanvallen, botste echter steeds meer met het beleid van de Staten-Generaal om de kosten zo veel mogelijk te beperken.

Van Oldenbarnevelt werd voor Maurits steeds minder de oudere, wijze staatsman die hem bij zijn ontplooiing had geholpen, maar een bemoeial die geen verstand had van oorlogvoeren.

Johan van Oldenbarnevelt kijkt vanaf de Lange Vijverberg naar het Binnenhof.
Johan van Oldenbarnevelt kijkt vanaf de Lange Vijverberg naar het Binnenhof.
De spanningen verergerden toen Oldenbarnevelt doordrukte dat in 1609 een tijdelijke wapenstilstand werd gesloten terwijl Maurits daar op tegen was. Hij wist dat hij vanuit zijn functie meer macht in oorlogstijd zou hebben dan daarbuiten.

Twaalfjarig Bestand

De 80-jarige oorlog tegen Spanje duurde eigenlijk maar 68 jaar. In 1609 werd namelijk een bestand gesloten, waarbij de strijdende partijen afspraken de wapens tijdelijk neer te leggen. Deze 12-jarige vrede werd het Twaalfjarig Bestand genoemd.

Wettelijk was Maurits ondergeschikt aan Van Oldenbarnevelt, hij moest de instructies van de Landsadvocaat opvolgen. Deze zorgde in ruil hiervoor dat de Staten geld vrij maakten om de kostbare veldslagen van Maurits te financieren. 

De Weegschaal, spotprent op de overwinning van de contraremonstranten. Salomon Savery en Joost van den Vondel, 1618
De Weegschaal, spotprent op de overwinning van de contraremonstranten. Salomon Savery en Joost van den Vondel, 1618
Stadhouder Maurits was echter na jaren van strijd minder effectief als veldheer geworden. En Van Oldenbarnevelt vond al die veldslagen maar duur, te duur voor een koopmansrepubliek. Dus zodra Johan de kans kreeg, sloot hij in 1609 vrede met de Spanjaarden. Dit was echter tegen het zere been van de vechtersbaas Maurits die immers vooral leefde van de oorlogvoering

Het wegvallen van de gezamenlijke vijand, de Spanjaarden, had echter ook nog een neveneffect. Een aantal sluimerende spanningen kreeg nu de kans om aan de oppervlakte te komen.

Godsdiensttwist

Gomarus en Arminius waren protestantse theologen die een afwijkende mening hadden over de voorbestemming, de predestinatie van de mens. Kan de liefde van God tijdens het leven verdiend worden (Arminius, rekkelijke remonstranten) of weet God bij de geboorte al wie hem wil liefhebben en wie niet (wie komt in de hemel komt en wie niet) (Gomarus, precieze contraremonstranten).

In de 17de-eeuw waren dit belangrijke vragen en Van Oldenbarnevelt hield zich hier intensief mee bezig. De scheiding van kerk en staat bestond immers nog niet. De hoofdgedachte was dat de staat boven de kerk stond en dat binnen de staat godsdienstvrijheid moest heersen.

Dit schilderij van Prins Maurits hangt in het stadhuis van Delft.
Dit schilderij van Prins Maurits hangt in het stadhuis van Delft.
Tolerantie in de 17e eeuw dus. Deze godsdienstige verdraagzaamheid werd echter een splijtzwam tussen rekkelijke predikanten en scherpslijpers die vreesden voor verwatering van het calvinisme.

Van Oldenbarnevelt en prins Maurits waren geen van beiden scherp theologisch ingesteld. De landsadvocaat zei van zichzelf dat hij geen theologant was en Maurits moet eens gezegd hebben dat hij niet wist of die uitverkiezing groen of geel zag. En toch liepen de spanningen tussen de twee mannen langzaam op.

In 1616 werden de contraremonstranten door de Staten van Holland en Van Oldenbarnevelt uit de Haagse kerk gezet. Een jaar later in 1617 liet Maurits plotseling zijn remonstrantse hofprediker in de steek en koos hij partij voor de Gomaristen door in hun bolwerk de Kloosterkerk een dienst bij te wonen.

Scherpe Resolutie

Van Oldenbarnevelt reageerde op deze provocatie met de zogenaamde scherpe resolutie, die remonstrantse steden het recht gaf een eigen burgerwacht te vormen om zich zo nodig tegen Maurits te kunnen verweren.

De Haagse schutterij was net als die in andere Hollandse steden verdeeld. De schutters moesten voortaan trouw zweren aan de Staten van Holland en het stadsbestuur en niet langer aan de stadhouder. De contraremonstrantse schutters weigerden dit. Het stadsbestuur wilde hen niet beloven dat zij niet tegen hun eigen geloofsgenoten zouden worden ingezet. Het gevolg was dat de contraremonstranten uit de schutterij werden ontslagen.

De gevangenneming van Johan van Oldenbarnevelt, 1618. Een tekening van Jan Reckleben uit 1858.
De gevangenneming van Johan van Oldenbarnevelt, 1618. Een tekening van Jan Reckleben uit 1858.
Deze besluiten kwamen volgens de stadhouder neer op landverraad. En zo werd de oude raadsman op 29 augustus 1618 gearresteerd.

Veroordeling

De verdieping boven de Rolzaal op het Haagse Binnenhof was als gevangenis ingericht. Bij gebrek aan een 'generaliteits-rechtbank' werd een buitengewone rechtbank samengesteld, bestaande uit 24 leden, waarvan twaalf uit de provincie Holland. De bejaarde staatsman en zijn medestanders werden van 11 november 1618 tot 14 april 1619 verhoord.

Want niet alleen Van Oldenbarnevelt ging de gevangenis in, maar ook Hugo de Groot, pensionaris van Rotterdam (bekend van de boekenkist), Rombout Hogerbeets, pensionaris van Leiden en Gilles van Ledenberg, secretaris van Utrecht.

Beschuldigingen

De beschuldigingen tegen Van Oldenbarnevelt waren:

  1. dat hij de strenge plakkaten tegen de belijders der ware godsdienst niet verhinderd had
  2. dat hij 's Prinsen maatregelen tegengestaan had
  3. dat hij het aannemen van waardgelders doorgedreven had
  4. dat hij de scherpe Resolutie in 1617 genomen had,
  5. dat hij geschenken had ontvangen van vreemde mogendheden,

Schilderij waarop wordt weergegeven dat Johan van Oldenbarnevelt zijn doodvonnis krijgt aangezegd op 12 mei 1619. Dit schilderij werd halverwege de negentiende eeuw gemaakt door Robert van Eijsden.
Schilderij waarop wordt weergegeven dat Johan van Oldenbarnevelt zijn doodvonnis krijgt aangezegd op 12 mei 1619. Dit schilderij werd halverwege de negentiende eeuw gemaakt door Robert van Eijsden.
Van Oldenbarnevelt vond echter dat hij onschuldig was. De Friese stadhouder Willem Lodewijk raadde zijn neef prins Maurits aan gematigd te handelen. De weduwe van Willem van Oranje en de stiefmoeder van prins Maurits, Louise de Coligny, drong er bij de familie van Van Oldenbarnevelt aan, om genade te vragen. De familie antwoordde echter: 'Wij willen geen genade, maar recht'. Pogingen van Willem Lodewijk en Louise de Coligny om prins Maurits te vermurwen om gratie te verlenen, mislukten.

Na ruim acht maanden gevangen te hebben gezeten en na zesentwintig keer te zijn verhoord was het zo ver.

Doodvonnis

Op zondagavond 12 mei 1619 om 18.00 uur werd het krijgsvolk op het Binnenhof opgetrommeld. Twee uur later werd Van Oldenbarnevelt, zittende in de Spaansche stoel, het doodvonnis aangezegd: 'en condemneren hem mits dezen, gebracht te worden op 't binnenhof, ter plaetse daartoe bereidt, en aldaar geëxecuteert te worden met den zweerde, dat' er de doodt na volght en verklaeren alle syne goederen geconfisqueert'. 

De beroemde zeventiende-eeuwse  etser Jan Luyken maakte deze ets rond 1698.
De beroemde zeventiende-eeuwse etser Jan Luyken maakte deze ets rond 1698.
Oldenbarnevelt riep verbaasd uit: 'Mijn doodvonnis. Dat had ik nooit gedacht. Ik hield het er voor dat ze mij nog gelegenheid zouden geven, om mijn verdediging voor te dragen' en 'Is dat het loon voor 43 jaren dienst aan den lande?' Een van de rechters kapte hem echter af met: 'Uwe sententie is gelezen. Voort! Voort!'.

Executies vonden altijd plaats op het Groene Zoodje, zo'n beetje tussen de Lange Vijverberg en de Plaats. Van Oldenbarnevelt zat echter gevangen op het Binnenhof dat onder het Hof van Holland viel, zeg maar de Nederlandse staat. Dit maakte geen onderdeel uit van Den Haag en dus moest er geïmproviseerd worden.

In de nacht van 13 mei bleef, ongebruikelijk, de toegang tot het Binnenhof gesloten. Het aantal wachtposten werd verdubbeld.

Johan van Oldenbarnevelt: Mannen, gelooft niet dat ik een landverrader ben, ik heb oprecht en vroom gehandeld, als een goede patriot, en zo zal ik sterven.
Johan van Oldenbarnevelt: Mannen, gelooft niet dat ik een landverrader ben, ik heb oprecht en vroom gehandeld, als een goede patriot, en zo zal ik sterven.
Bij de huidige hoofdingang van de Grote Zaal werd in allerijl een schavot getimmerd. Het zand haalde men uit de omgeving. De doodskist was van een veroordeelde die op het laatste moment gratie had gekregen.

Executie

Steunend op zijn stok, begeleid door hellebaardiers, liep Van Oldenbarnevelt op 13 mei 1619 om 9 uur 's ochtends door een uitgenomen raam naar het schavot waar de beul van Utrecht hem opwachtte.

Er was geen stoel en dus knielde de oude man op de planken voor zijn laatste gebed. Daarna richtte hij zich op het verzamelde publiek en zei: 'Mannen gelooft niet, dat ik een landverrader ben ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die zal ik sterven'.

Dit schilderij van de Hofkapel hangt in de pastorie van de Jacobus de Meerdere kerk in de Parkstraat. Tegen de tweede pilaar van links staat het beeld van Sint-Jakob dat tegenwoordig achteraan in dezelfde kerk staat. C.J. Behr maakte dit schilderij in 1874.
Dit schilderij van de Hofkapel hangt in de pastorie van de Jacobus de Meerdere kerk in de Parkstraat. Tegen de tweede pilaar van links staat het beeld van Sint-Jakob dat tegenwoordig achteraan in dezelfde kerk staat. C.J. Behr maakte dit schilderij in 1874.
Jan Francken, de kamerdienaar, gaf aan Van Oldenbarnevelt een slaapmuts. Deze trok de muts voor zijn ogen en sprak de legendarische woorden: 'maak het kort! maak het kort'. Het is echter niet duidelijk of deze woorden gericht waren aan de breedsprakige knecht of aan de beul.

Hofkapel

Van Oldenbarnevelts nabestaanden wilden het stoffelijke overschot op de heerlijkheid Berkel begraven. De machthebbers voorzagen echter allerlei problemen en dus werd het de Hofkapel op het Binnenhof waar Johans schoonzoon van der Mijle een familiegraf bezat. 

De Hofkapel werd in 1879 zo goed als afgebroken. Voor de afbraak werd de grafkelder leeggehaald en werden de lijken voor de deur tentoongesteld. Het lijk van Van Oldenbarnevelt werd echter niet gevonden. Dit versterkte de geruchten dat het lijk na 1619 toch, stiekem, naar Berkel vervoerd was en daar in de dorpskerk begraven werd.

In 1880 werd een plaquette aan het gebouw bevestigd. Dit aandenken is nog steeds te bezichtigen.

In 1880 werd een plaquette aan een muur op het Binnenhof  bevestigd:
In 1880 werd een plaquette aan een muur op het Binnenhof bevestigd:
De tekst op de steen luidt:
De voormalige Hofkapel in MDCCCLXXIX verbouwd
In de kelders dezer kapel zijn de grafsteden van Graven en Gravinnen van Holland en werd het lijk van Johan van Oldenbarneveld den XIV Mei MDCXIX bijgezet.

Standbeeld

Onder de conservatieve, Oranjegezinde politici en historici waren er velen die het verwerpelijk vonden een standbeeld op te richten voor een tegenstander van Oranje. Om die reden zijn er zo weinig standbeelden van Van Oldenbarnevelt, en zo weinig Van Oldenbarnevelt-lanen.

Na eeuwen van discussie onthulde koningin Juliana op 14 oktober 1954 het nieuwe standbeeld op de Lange Vijverberg.

Joost van den Vondel

Protest

De bekende dichter Joost van den Vondel kreeg na de dood van Maurits in 1625 het idee om een treurspel te maken over de lotgevallen van de landsadvocaat. Dit was echter strafbaar en het verhaal moest daarom gecamoufleerd worden.

Op 13 mei 1619 werd Johan van Oldenbarnevelt onthoofd. Terwijl hij steunde op een houten stok sprak hij zijn laatste woorden. De oude Johan had echter meerdere stokken en het is niet duidelijk welk exemplaar de onthoofdingsstok is.
Op 13 mei 1619 werd Johan van Oldenbarnevelt onthoofd. Terwijl hij steunde op een houten stok sprak hij zijn laatste woorden. De oude Johan had echter meerdere stokken en het is niet duidelijk welk exemplaar de onthoofdingsstok is.
Joost gebruikte het mythische verhaal van de Griekse held Palamedes. Deze Palamedes wilde na jaren van oorlog vrede te sluiten, maar werd door zijn eigen partij van verraad beschuldigd en na een schijnproces ter dood gebracht. Dit werd het verhaal Palamedes oft Vermoorde onnooselheyd (onschuld).

Ondanks de verstopte verwijzingen ontdekte men Vondels sympathie voor Van Oldenbarnevelt. De Amsterdamse bestuurders bestraften hem met een zware boete, maar beschermden hem ook tegen de uitlevering aan Den Haag.

Toen Johan van Oldenbarnevelt het schavot beklom, steunde hij op zijn later zo legendarisch geworden stokje. Dit stokje werd in 1657 onderwerp van Vondels gedicht Het Stockske van Joan van Oldenbarnevelt en Geuse-Vesper of Siecken-Troost voor de Vierentwintigh.

 

Johan van Oldenbarnevelt met zijn stokske in een negentiende-eeuwse prent van Jan van der Veen.
Johan van Oldenbarnevelt met zijn stokske in een negentiende-eeuwse prent van Jan van der Veen.
Het stokje werd daarna een relikwie waarvan al in de zeventiende eeuw verschillende originele versies bestonden.

Het stokje

Dankzij Vondels gedicht en de overlevering van de knecht Jan Francken werd het stokje bijna net zo beroemd als Van Oldenbarnevelt zelf.

En zo'n beroemd relikwie nodigde uit tot het maken van vervalsingen.

In de negentiende en twintigste eeuw kwamen diverse wandelstokken bij musea en bibliotheken terecht .

De weduwe van Van Oldenbarnevelt smeekte  prins Maurits om het leven van haar zoon Reinier te sparen. Deze gravure is van Bernard Picart.
De weduwe van Van Oldenbarnevelt smeekte prins Maurits om het leven van haar zoon Reinier te sparen. Deze gravure is van Bernard Picart.
Tegenwoordig zijn er drie wandelstokken bekend waarvan beweerd wordt dat zij Oldenbarnevelts persoonlijke bezit te zijn geweest. Het is niet meer te achterhalen met welke stok Van Oldenbarnevelt het schavot betrad.

De zonen

Willem en Reinier

Maurits had niet alleen Van Oldenbarnevelt laten onthoofden, maar had ook het familiebezit verbeurd verklaard. Verder raakten beiden zonen, Reinier Heer van Groenevelt en Willem Heer van Stoutenburg, hun baan kwijt.

Dit zette kwaad bloed, vooral bij Willem. Die wilde wraak nemen en sprak de wens uit dat hij de 'Prins self aen stukken moght trekken'.

Aanslag

Claes Jansz. Visscher maakte in 1623 dit stripverhaal over de executie van de Arminiaanse verraders  Reinier van Oldenbarnevelt, David Coorenwinder en Adriaan van Dijk.
Claes Jansz. Visscher maakte in 1623 dit stripverhaal over de executie van de Arminiaanse verraders Reinier van Oldenbarnevelt, David Coorenwinder en Adriaan van Dijk.
Willem benaderde enkele sympathisanten zoals Adriaan van Dijk, voormalig sekretaris van Bleiswijk (remonstrants), David Coorenwinder, voormalig Sekretaris van Berkel (katholiek), Van der Dussen(katholiek), aangehuwde neef, en Hendrik Slatius, voormalig Predikant uit Bleiswijk (remonstrant).

In 1622 was het dan zo ver, Reinier stelde zich garant voor 6000 gulden die Korenwinder bij de bank opnam. Dit bedrag ging naar Van Dijk die de Rotterdamse matroos Jan Faessen en drie anderen benaderde.

Prins Maurits reed iedere dag naar zijn maîtresse in Rijswijk en daar moest hij vermoord worden.

Aan de potentiële aanslagplegers werd echter niet verteld wie het doelwit was. Het enorme bedrag maakte Faessen wantrouwig en deze stapte hierop naar Maurits die gelijk begreep hoe de vork in de steel zat.

Mislukt

Maurits gaf opdracht om alle betrokkenen te laten arresteren.

Kunstenaar Oswald Wenkebach liet zich voor het ontwerp van zijn beeld inspireren door een schilderij van Michiel van Mierevelt uit 1616.
Kunstenaar Oswald Wenkebach liet zich voor het ontwerp van zijn beeld inspireren door een schilderij van Michiel van Mierevelt uit 1616.
Willem ontdekte ondertussen dat zijn plan mislukt was en waarschuwde zijn oudere broer. Reinier vluchtte naar Scheveningen om daar met behulp van een bevriende visser naar Engeland te varen. Hij zag echter op tegen de stormachtige reis en besloot om via het strand naar het noorden te reizen. Te voet tot Katwijk en vandaar per paard naar Petten. Verder naar Tessel en toen naar Vlieland. Daar werd hij herkend en aangehouden.

Willem slaagde er tussentijds in te ontsnappen naar Brussel en kwam daarna nooit meer in Nederland.

Reinier Groenevelt had alleen borg gestaan voor de 6000 gulden, maar werd toch ter dood veroordeeld: 'Gheexecuteerd te worden metten swaerde, datter de doot navolcht ende verclaert alle sijne goederen geconfisqueert'

Zowel zijn vrouw als zijn moeder vroegen bij Maurits om gratie. Deze was echter onvermurwbaar en zo nam Reinier op 28 maart 1622 afscheid van zijn jonge vrouw. 'Sterf dan als een edelman' waren haar opbeurende woorden.

De omgeving van de executieplaats, het Groene Zoodje, was door de garde van prins Maurits en door twee compagnieën andere soldaten afgezet. Gekleed als edelman en ongeboeid werd Reinier even later onthoofd. Hij werd net zoals zijn vader begraven in de Hofkapel.

Details

Details

Notulen

In de notulen van de Staten van Holland wordt de dood van Van Oldenbarnevelt als volgt omschreven:

13 Mei 1619. Huiden is alhier in den Hage metter waarde ter doodt geexecuteerd, heere en Mr. Johan van Oldenbarneveldt, enz. enz. Een man van grooten bedrijven, besoigne, memorie, en directie, ja. singulier in alles. Die staat zie toe dat hij niet en vale. Ende Godt zij zijner ziele genadigh. Amen."

Het Stokske

In 1657 schreef Joost van den Vondel het gedicht 'Het Stockske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlants'

Mijn wens behoede u onverrot,
o stok en stut, die geen verrader,
maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
gestut hebt op dat wreed schavot,

toen hij voor ’t bloedig zwaard moest knielen,
veroordeeld als een Seneca
door Nero’s haat en ongena,
tot droefenis der braafste zielen.

Gij zult nog jaren achtereen
den uitgang van dien held getuigen,
en hoe Geweld het Recht dorf buigen,
tot smaad der onderderdrukte steên.
 
Hoe dikwijls strekt’ gij onder ’t stappen
naar ’t hof der Staten stadig aan
hem voor een derden voet in ’t gaan
en klimmen op de hoge trappen,

als hij, belast van ouderdom,
papier en schriften, overleende
en onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!

Gij ruste van uw trouwe plichten
na ’t rusten van dien ouden stok,
geknot door ’s bloedraads bitt’ren wrok
nu stut en stijft gij nog mijn dichten.


Originele tekst:

Myn wensch behoede u onverrot
O STOCK en stut, die, geen' verrader,
Maer 's vrydoms stut en Hollants Vader
Gestut hebt op dat wreet schavot

Toen hy voor 't bloedigh zwaert most knielen,
Veroordeelt, als een Seneka,
Door Neroos haet en ongena,
Tot droefenis der braefste zielen.

Ghy zult noch, jaeren achter een,
Den uitgangk van dien Helt getuigen,
En hoe Gewelt het Recht dorf buigen,
Tot smaet der onderdruckte steên.

Hoe dickwyl streckt ghy onder 't stappen
Naer 't hof der Staeten stadigh aen
Hem voor een derden voet in 't gaen
En klimmen, op de hooge trappen:

Als hy, belast van ouderdom
Papier en schriften, overleende,
En onder 't lastigh lantspack steende!
Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom!

Ghy ruste van uw trouwe plichten,
Na 'et rusten van dien ouden stock,
Geknot door 's bloetraets bittren wrock:
Nu stut en styft ghy noch myn dichten. 

Het graf

Er waren aan de einde van de negentiende eeuw geruchten over het graf van Oldenbarnevelt. Hieronder staat een analyse uit het tijdschrift De Gids uit 1884.

Nog lang na 1619 schijnt niemand aan de mogelijkheid gedacht te hebben, dat Oldenbarnevelts overschot niet in de hofkapel bewaard was gebleven. Toen den 29sten Maart 1623 het lijk van den onthoofden Groeneveld in het daar aanwezig familiegraf was bijgezet, werd in gelijktijdige geschriften vermeld, dat hij ‘bij zijn vader’ begraven was. Aitzema herhaalt dit met zooveel woorden.

Evenzoo leest men van Cornelis van der Myle, dat deze, na in 1642 overleden te zijn, in het familiegraf ter aarde werd besteld, waarin zijn schoonvader rustte.

Wtenbogaert schreef in zijne ‘Kerckelijke historie,’ in 1646 in 't licht gekomen, doch eenige jaren vroeger geschreven, dat Oldenbarnevelts lijk, na de terechtstelling, werd gebracht ‘in de capel op 't Hoff ende aldaer gestelt tot de verweckinge uyt den doode’ (bl. 1216). Zulk eene krachtige uitdrukking zou een man als hij, bij uitnemendheid bekend met al wat de zaak der Remonstranten betreft, niet gebezigd hebben, als bij hem slechts de minste twijfel bestond, of Oldenbarnevelt dààr of op eene andere plaats de opstanding verbeidde.

Nochtans heeft allengs de meening of de overlevering veld gewonnen, dat het lijk later naar Berkel vervoerd en in de kerk van dat dorp begraven is. Nergens echter vindt men eenige aanwijzing omtrent het tijdstip, waarop dit zou hebben plaats gehad. Van Wijn, die aan de overlevering eenig gewicht hechtte, erkent in zijne Bijvoegsels op Wagenaar (X 102) dat hij daaromtrent niets bepaalds heeft kunnen opsporen. Hij schijnt zich te hebben gevleid, dat de resolutiën der Staten-Generaal, die hij niet volledig had kunnen raadplegen, daaromtrent licht konden geven. Die resolutiën, welke ik voor dit mijn onderzoek doorbladerd heb, vermelden echter, ook na 1619, niets wegens deze zaak. Intusschen woog ook bij van Wijn het zoo even aangehaald gezegde van Wtenbogaert zwaar. Hij komt daardoor tot de slotsom, dat het lijk ‘in 't vervolg,’ dat is na het schrijven van Wtenbogaert, naar Berkel kan vervoerd zijn ‘waarvan ik, zegt hij, niet geheel vreemd ben.’ Ongelukkig duidt hij met geen enkel woord aan, op welken grond, op welke getuigenis dat niet vreemd zijn steunde. Wat daarvan zij, de slotsom, waartoe van Wijn kwam, acht ik niet zeer aannemelijk.

Heeft de overbrenging inderdaad plaats gehad, dan moet die in 1619 of weinig later zijn geschied. De overlevering, waarvan straks nader, gewaagt van een vervoer ter sluiks, met alle voorzorgen om het geheim niet te doen uitlekken. Dit doet er aan denken, dat Oldenbarnevelts gezin, niet langs wettigen weg tot zijn doel kunnende geraken, het door list heeft trachten te bereiken. Zoo iets zou ten volle gestrookt hebben met hetgeen wij van de stemming weten, waarin de kinderen des grijzen staatsmans, door hunne moeder aangemoedigd, na het doodvonnis voortdurend verkeerden.

In hunne hooggaande verbittering trotseerden zij niet enkel met grootmoedige fierheid de beulen huns vaders, maar achtten zij zich gerechtigd met alle mogelijke wapenen Maurits en hunne overige vijanden te bestrijden.

De moordaanslag van Willem, den heer van Stoutenburg, was het heilloos uitvloeisel van deze stemming. De in den laatsten tijd openbaar gemaakte brieven van dien ongelukkige werpen op hem een veel gunstiger licht dan waarin hij bij gelijktijdige schrijvers voorkomt maar toch blijkt ook daaruit, dat hij het misdadige van zijn gedrag nimmer heeft leeren inzien. Zelfs de dochters van Oldenbarnevelt waren van gelijken geest bezield. Maar is het te gelooven, dat zij in zulk een opzet, zoo zij het inderdaad hebben gesmeed, hebben kunnen slagen dat als onder het oog van Prins Maurits, die door den kapitein van zijn lijfwacht toezicht op de begrafenis had doen houden, in de tegenover zijn kwartier gelegene hofkapel, in strijd met het uitdrukkelijk verbod der rechters is gehandeld?

Gesteld het ware gelukt, door een duisteren nacht begunstigd, zonder dat de wachters op het binnenhof het bemerkten, de kist uit het graf te lichten gesteld het vervoer naar Berkel had zonder verhindering plaats gegrepen, zou het dan zoo gemakkelijk gevallen zijn, in dat dorp de nieuwe begrafenis te doen plaats hebben? Zonder medewerking van kerkmeesteren, van leden van het dorpsbestuur, was het nieuwe graf niet te openen, en dat bestuur was zeer zeker niet op de hand der Remonstranten. De secretaris van Berkel, Coorenwinder, was, na langjarigen dienst, wegens zijne Remonstrantschgezinde gevoelens afgezet en ongetwijfeld door een vurigen Contra-remonstrant vervangen.

Of zijn misschien andere onderstellingen mogelijk? De rechters, de Staten-generaal kunnen, door vernieuwden aandrang bewogen, op hunne vroegere weigering teruggekomen zijn Prins Maurits kan oogluikend hebben toegelaten wat hij aanvankelijk afkeurde. Maar is zoo iets waarschijnlijk bij de hardheid, die de Prins, na de terechtstelling, tegen de beide zonen van Oldenbarnevelt deed blijken, wien hij hunne betrekkingen ontnam zou men het verbod hebben ingetrokken, nu het hoofdbezwaar daartegen bleef bestaan, ja zelfs zich nog krachtiger dan te voren deed gelden? Eene min of meer plechtige begrafenis, eene huldiging van Oldenbarnevelt als heer van Berkel zou toch thans gezweemd hebben naar een herstel van eer des onthoofden staatsmans en rechtstreekschen tegenstand van de zijde des gepeupels hebben kunnen uitlokken. Na den mislukten aanslag van 1623 viel minder dan ooit aan zoo iets te denken: de kracht van Oldenbarnevelts nagelaten gezin was gebroken de overblijvende leden hadden andere zorgen dan het overbrengen van zijn lijk naar de plaats der eere.

Eenige jaren later werd het anders. De gemoederen waren allengskens bedaard de gematigde Frederik Hendrik zou hoogstwaarschijnlijk, indien dit hem verzocht ware, geen zwarigheid hebben gemaakt om het vervoer van het lijk naar Berkel toe te staan. Maar liet zich zulk een aanzoek thans nog verwachten? Behalve de huisvrouw van van der Mijle en misschien dien staatsman zelf, was er geen enkel lid der familie meer, dat geacht kon worden groot belang in het verheerlijken van Oldenbarnevelts adeldom te stellen.

Haar zuster Anna was, in weerwil van den tegenstand der familie, met den burgerlijken Westerbaen gehuwd. Haar schoonbroeder Reinout van Brederode, heer van Veenhuizen, had reeds lang een tweede huwelijk aangegaan. Van de nakomelingen van 's lands advocaat waren verder, behalve de dochter van dezen Reinout, die met Theophilus van Cats was gehuwd, niet dan de drie kinderen van Groeneveld, thans onder de hoede van hun stiefvader Westerbaen, over. Gesteld echter er bleef bij Oldenbarnevelts nakomelingen genoeg familietrots over, om het eens gekoesterd plan te verwezenlijken, zouden zij dan niet teruggedeinsd zijn voor het denkbeeld om te doen wroeten in een graf, dat thans, nevens het lijk van den onthoofden vader, ook dat van zijn onthoofden zoon verborg?

Toen, een tiental jaren geleden, tot het afbreken der voormalige hofkapel besloten werd, kon het doen van nasporingen in haren bodem door niemand meer worden betwist. Eene eeuw was verloopen en zelfs de namen der eigenaren van de daarin aanwezige grafkelders waren niet meer bekend. Ware het gebouw in zijn oorspronkelijken toestand bewaard gebleven, zooals het aan de Graven van Holland tot bedehuis strekte en met beelden dier graven, graftombes en ander sieraad prijkte, de oudheidminnaar zou het ondergaan van dit gewrocht van middeneeuwschen bouwtrant hebben moeten betreuren. Maar van de oude hof kapel was nagenoeg niets meer over. Bij de hervorming van haar inwendige praal beroofd, sedert door een fellen brand geteisterd, werd zij bij herhaling vernieuwd en vergroot.

Onder koning Lodewijk was zij weder eene Roomsch-Katholieke kerk geworden maar als men die kerk binnentrad, ontwaarde men aan de kale muren, op den effen vloer geen enkele herinnering uit den ouden tijd: zelfs de laatste overblijfselen der graftombe, door Albrecht van Beijeren voor zijne eerste gemalin gesticht, waarop men in de vorige eeuw nog wijzen kon, waren verdwenen. Toen ik echter mijn oog liet gaan over den bodem van het schip der kerk, die thans geheel open lag, verdween dat uitzicht ten eenenmale.

Ik had mij voorgesteld, dat de grafkelders hier, zooals gewoonlijk, in reeksen gemetseld zouden zijn, zoodat ik het nommer VIII zou kunnen wedervinden. Het was wel niet waarschijnlijk, maar toch mogelijk, dat op den wand van dien kelder, op een later op de kist gespijkerd metalen plaatje eenig opschrift te lezen was. Nu bleek echter, dat de grafkelders zonder eenige regelmaat waren aangelegd dat die, waarnaar ik zocht, dus niet was aan te wijzen en dat over 't geheel bij vroegere verbouwingen der kerk of bij het op nieuw bevloeren daarvan ruw was te werk gegaan.

De zerken, die de graven bedekt hadden, waren, ofschoon meerendeels van opschriften voorzien, van de grafsteden, waartoe zij behoorden, weggenomen, onder het zand bedolven of opeengestapeld. Overal lagen doodsbeenderen en doodshoofden verspreid. Het sprong in het oog, dat al had men geheel dezen doodenakker willen omwoelen, die arbeid vruchteloos zou zijn. Het onderzoek werd dus gesloten de grafelijke grafkelders werden, nadat de daarin aanwezige overblijfselen zoo goed mogelijk voor verder bederf waren beveiligd, weder toegemetseld eene dikke zandlaag werd over den bodem der kerk gespreid en al wat daarin verborgen lag, verdween voor goed uit het menschelijk oog.

De Kneuterdijk met de woning van Van Oldenbarnevelt (18) in 1616. Het paleis Kneuterdijk zou pas honderd jaar later bij 19 gebouwd worden.
De Kneuterdijk met de woning van Van Oldenbarnevelt (18) in 1616. Het paleis Kneuterdijk zou pas honderd jaar later bij 19 gebouwd worden.
De Kneuterdijk in 1740. Het tweede huis van links werd rond 1610 bewoond door Van Oldenbarneveld.
De Kneuterdijk in 1740. Het tweede huis van links werd rond 1610 bewoond door Van Oldenbarneveld.
Karel van Ligne verkocht op 13 juli 1610 voor 11.000 gulden zijn huis aan de Kneuterdijlk 22 aan Johan van Oldenbarnevelt. De foto werd rond 1930 gemaakt.
Karel van Ligne verkocht op 13 juli 1610 voor 11.000 gulden zijn huis aan de Kneuterdijlk 22 aan Johan van Oldenbarnevelt. De foto werd rond 1930 gemaakt.
Johan van Oldenbarnevelt bracht in 1595 met enkele Statenleden prins Maurits het bericht van zijn aanstelling tot stadhouder. Dit schilderij is van Paul Constantin Dominique Tetar van Elven.
Johan van Oldenbarnevelt bracht in 1595 met enkele Statenleden prins Maurits het bericht van zijn aanstelling tot stadhouder. Dit schilderij is van Paul Constantin Dominique Tetar van Elven.
Een afbeelding der justitie geschiet den 13 mei 1619. Deze illustratie inspireerde Joost van den Vondel tot het schrijven van zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheyd
Een afbeelding der justitie geschiet den 13 mei 1619. Deze illustratie inspireerde Joost van den Vondel tot het schrijven van zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheyd
De onthoofding van Van Oldenbarnevelt werd veelvuldig vastgelegd. Ook deze gravure is van de hand van Jan Luyken.
De onthoofding van Van Oldenbarnevelt werd veelvuldig vastgelegd. Ook deze gravure is van de hand van Jan Luyken.
Het beeld van Johan van Oldenbarnevelt werd in 1954 in het perkje aan de Lange Vijverberg geplaatst. Het witte gebouw is het Huis Schuylenburch dat sinds 1885 het woonhuis van de Duitse ambassadeur is.
Het beeld van Johan van Oldenbarnevelt werd in 1954 in het perkje aan de Lange Vijverberg geplaatst. Het witte gebouw is het Huis Schuylenburch dat sinds 1885 het woonhuis van de Duitse ambassadeur is.
Johan van Oldenbarnevelt met zijn stoksken op een natuurstenen sokkel.
Johan van Oldenbarnevelt met zijn stoksken op een natuurstenen sokkel.
Het standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt in januari 2015.
Het standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt in januari 2015.
Van december 2018 t/m april 2019 liep in het Haagse Historisch Museum de tentoonstelling Johan van Oldenbarnevelt. Man, macht, moord
Van december 2018 t/m april 2019 liep in het Haagse Historisch Museum de tentoonstelling Johan van Oldenbarnevelt. Man, macht, moord
In de achttiende eeuw verscheen deze spotprent over hoe een beeld voor Van Oldenbarnevelt er uit zou moeten zien. Prins Maurits vertrapt hier de oude raadspensionaris.
In de achttiende eeuw verscheen deze spotprent over hoe een beeld voor Van Oldenbarnevelt er uit zou moeten zien. Prins Maurits vertrapt hier de oude raadspensionaris.
Het standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt op de Lange Vijverberg werd gemodelleerd naar dit schilderij dat Michiel Jansz. van Mierevelt in 1616 maakte. De oude Johan is hier 67 jaar oud.
Het standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt op de Lange Vijverberg werd gemodelleerd naar dit schilderij dat Michiel Jansz. van Mierevelt in 1616 maakte. De oude Johan is hier 67 jaar oud.