Gioacchino Antonio Rossini (1792-1868) was een Italiaanse operacomponist. Enkele van zijn werken: "Il barbiere di Siviglia", "Guillaume Tell", "Stabat Mater".

-De Rossinilaan in Nieuw Waldeck werd in 1978 gesticht en loopt van de Groen van Prinstererlaan  naar de Toscaninistraat

De Italiaanse componist Rossini, die ook wel de "Zwaan van Pésaro" werd genoemd, was van nederige komaf. Zijn vader was slachthuisinspecteur en stadstrompetter van Pésaro. Zijn moeder was de dochter van een bakker. In zijn vroegste jeugd traden reeds de twee eigenschappen aan het licht die zijn verdere leven zouden bepalen: zijn grote muzikale aanleg en zijn verbijsterende luiheid. In zijn tijd ging het gerucht de ronde dat wanneer er een muziekblad uit bed viel (hij componeerde uitsluitend in bed), hij liever de aria herschreef, dan het blad te moeten oprapen.

In Bologna studeerde Rossini zang, klavecimbel en compositie bij Padre Tesei en leerde hij zichzelf vioolspelen. Nog vóór zijn veertiende was hij smidsgezel geweest, zanger in het theater, hoornist, begeleider en koorleider. In 1806 werd hij aangenomen op het Liceo Musicale te Bologna, waar hij zang, solfège, cello, piano en contrapunt studeerde. 

Als operacomponist debuteerde hij met het buffo-genre. "Tancredi" wordt zijn eerste opera seria (serieuze opera), waarmee hij in 1813 roem oogstte. In 1815 schreef hij voor Rome Il barbiere di Siviglia, naar het gelijknamige stuk van Pierre A.C. de Beaumarchais, die hem weldra ook buiten Italië beroemd maakte. Het is een hoogtepunt in de geschiedenis van de komische opera (opera buffa). In 1822 bezocht hij Wenen, waar hij met stormachtig succes zijn Cenerentola (Assepoester; 1817) dirigeerde.  De tientallen andere operatitels zijn bij een breed publiek voor het grootste gedeelte vergeten, op uitzondering wellicht van "La Scala di Seta", en "La Gazza Ladra".

De val van Karel de Tiende in 1830, waardoor Rossini zijn ambt als hofcomponist verloor, en zijn slechte gezondheidstoestand dwongen de componist zijn activiteiten tot een minimum te beperken. Hij leefde nog bijna veertig jaar, maar componeerde bijna niets meer. Rossini kon zich dat veroorloven omdat hij een fortuin verdiende hij door twee huwelijken met gewezen maîtressen van vermogende edellieden. 

De hele muzikale oogst van de laatste veertig jaar is het Stabat Mater, de Petite Messe Solennelle en enkele kleine pianostukjes, geschreven voor eigen amusement. De rest van de tijd vulde hij met zijn grootste hobby's: nietsdoen, salonbezoeken en niet te vergeten het keukenfornuis. Rossini woonde nu weer afwisselend in Frankrijk en Italië, waar hij o.a. directeur was van zijn oude school, het Liceo Musicale in Bologna (1840-1848). In Parijs hield hij soirées, die bezocht werden door leidende figuren uit het Europese muziekleven van die tijd, o.a. Liszt en Wagner.  

Rossini stierf op 13 november 1868. Hij werd begraven op de Parijse begraafplaats Cimetière du Père-Lachaise. Op verzoek van de Italiaanse regering werden de overblijfselen in 1887 echter verplaatst naar Florence. Op Père-Lachaise staat een lege crypte.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven