Artikelindex

Ondanks een zwakke financiële basis was de in 1863 opgerichte dierentuin populair onder de Hagenaars en velen zagen hun eerste olifant, beer, leeuw, kameel, ara, casuaris of reuzenschildpad in de lommerrijke tuin in de Nassaubuurt op de hoek van de Benoordenhoutseweg (nu Zuid Hollandlaan) en de Koningskade. Het Koninklijk "Zoölogisch Botanisch Genootschap van Acclamatie" werd gesticht met als doel "de verscheidenheid van dieren en gewassen onder de aandacht brengen".

Het Moors Paleis.
Het Moors Paleis.

De tuin

In 1856 ontvouwde dokter L.H. Verweij bij W.D.A.M. baron van Brienen van de Groote Lindt zijn plannen aangaande de stichting van een zoölogisch-botanische tuin in het Willemspark te 's-Gravenhage. De baron werd gevraagd omdat hij over een zeker vermogen beschikte en daarbij geen "bepaalde bezigheden" scheen te hebben. Maar ofschoon de baron de plannen zeker niet afkeurde bleek hij toch niet beschikbaar.

Ondanks zijn drukke bezigheden als arts bleef Verwey met het dierentuin idee rondlopen en tijdens een gesprek met majoor Revius stelde hij voor om zijn zoon, L. Revius (in 1861 tot secretaris van het Genootschap gekozen), daarin te laten meedoen. Samen met de majoor lukte het hem om een commissie bijeen te krijgen welke zich met de oprichting bezig zou moeten gaan houden.

De commissie wilde iemand van goede komaf, met een zekere welstand en goede invloed, de leiding geven. De keuze viel weer op de baron van Brienen van de Groote Lindt. Verweij werd op pad gestuurd om de baron te vragen en daarnaast ook J.P. van der Schooren te overreden. Beiden zegden uiteindelijk toe.

De start

In 1860 werd een gedrukt ontwerp in een oplage van 100 exemplaren bij het Haagse old boys network bezorgd. Het "Ontwerp van eenen Zoölogisch-Botanischen Tuin te 's Gravenhage, door Dr. L.H. Verweij, eersten ontwerper, en L.F.

De hoender en fazanten volière in een dierentuin brochure uit 1867.
De hoender en fazanten volière in een dierentuin brochure uit 1867.
Revius, mede-ontwerper", gedrukt bij J.A. de Vieter, vormde de basis voor de bouwplannen van de jaren die volgden.

Ondanks allerlei moeilijkheden zette de commissie en vooral Verweij door. Er werd een vergunning gevraagd om een stuk grond aan de Scheveningse Bosjes in pacht te krijgen maar dat liep op niets uit. De gronden net buiten de stad waren veelal te duur. Er werd zelfs overwogen om de tuin op de Koekamp te bouwen, maar dit stuitte op hevig verzet van deftig Den Haag. De zaak dreigde hopeloos te stranden.

Tot slot kwam men echter uit bij een stuk grond in de Westbenoordenhoutse polder boven het Malieveld welke gedeeltelijk het eigendom was van de gemeente en gedeeltelijk van een Leerdamse familie. Beide partijen stemden toe en zo verkreeg men 6 bunder grond waarop de Dierentuin werd gestart.

In 1861 behaagde het koning Willem III het aangeboden beschermheerschap op zich te nemen, waarop het genootschap de titel "Koninklijk" mocht voeren. Daarna kon het Koninklijke Zoölogisch-Botanisch Genootschap van Acclimatatie de  dierentuin laten bouwen. Het park opende in 1863 met een groot hoofdgebouw (architect Cuylitz), verschillende plantenkassen, 20 zoogdieren en 196 vogels (zie hieronder het tabje met een deel van het jaarverslag uit 1864). In 1875 wordt onder andere een olifantenverblijf in gebruik genomen en nog weer later komt er een berenkuil bij.

Details

 

Graaf van Bylandt (uiterst rechts) liet zich regelmatig met de dieren fotograferen. Op deze foto zijn enige leden van het dierentuin genootschap op bezoek. Met uiterst links voorzitter P.A. Jansen.
Graaf van Bylandt (uiterst rechts) liet zich regelmatig met de dieren fotograferen. Op deze foto zijn enige leden van het dierentuin genootschap op bezoek. Met uiterst links voorzitter P.A. Jansen.

Herenclub

Aan het einde van de 19e eeuw wilde de Haagse elite graag entre nous verpozen.  Zij was lid van sociëteiten, bezocht de Koninklijke Schouwburg en ging naar mondain Scheveningen en (later) het Kurhaus. Kostbare en publiekelijke vrijetijdsbesteding was van het grootste belang en een dierentuin als een soort van herenclub, waar in de zomer concertavonden gegeven werden, was het summum van deftigheid.

Een dierentuin is echter duur in het onderhoud en een groot ledenbestand was noodzakelijk. De gebruikelijke strikte ballotage werd daarom losgelaten. De dierentuin kannibaliseerde hiermee niet alleen het ledenbestand van de concurrerende sociëteiten, maar ze liet ook de rijkere middenklasse toe. Het werd zelfs mogelijk om als vrouw zelfstandig lid te worden.

Ofschoon de concerten ook in de winter gegeven werden, was de accommodatie echter voornamelijk geschikt voor in de zomer. Om het seizoensprobleem op te lossen werd op 14 november 1893 het tot Moors Paleis verbouwde hoofdgebouw geopend en konden maar liefst 1400 bezoekers, nu ook in de winter, de concerten bijwonen. Verder werden pluimveetentoonstellingen, hondenshows, thé dansants en later filmvoorstellingen georganiseerd. De koninklijke kapel was zeer populair. En toegang alleen voor de leden. Dit ging goed tot de eerste wereldoorlog. 

Het begin van het einde

De problemen begonnen toen in 1912 oud kapitein ter zee Fock tot directeur herbenoemd werd. Het Nederlandse welvaartsniveau daalde sterk tijdens de oorlog van 1914-1918 en het aantal leden van de dierentuin daalde mee. Maar vooral het verbod op de lucratieve voorjaarsfeesten (kermis) zorgde voor een financiële aderlating. Bij het vertrek van Fock in april 1923 waren alle grote dieren overleden of aan Burgers' Dierenpark in 's-Heerenberg verkocht. Uiteindelijk bleven van de zoogdieren alleen de apen over.

Midden voor is de hoofdingang met direct daarachter de papegaaienlaan die rechtstreeks naar het hoofdgebouw leidde. Direct voorbij de bomenrij van de papegaaienlaan zijn links en rechts twee grote vijvers waarin diverse watervogels vertoefden. De vijver rechts was met een net overspannen. Helemaal bovenin de hoek werd later de Bokkenrots gebouwd en rechts van de kassen kwam later een apenhuis en de uilenruine.
Midden voor is de hoofdingang met direct daarachter de papegaaienlaan die rechtstreeks naar het hoofdgebouw leidde. Direct voorbij de bomenrij van de papegaaienlaan zijn links en rechts twee grote vijvers waarin diverse watervogels vertoefden. De vijver rechts was met een net overspannen. Helemaal bovenin de hoek werd later de Bokkenrots gebouwd en rechts van de kassen kwam later een apenhuis en de uilenruine.

De papagaaien stonden vlak bij de ingang en heetten de bezoekers welkom met een Haags accent.
De papagaaien stonden vlak bij de ingang en heetten de bezoekers welkom met een Haags accent.

Het interbellum

Om de financiële problemen het hoofd te bieden werden in 1925 door de nieuwe directeur P.J. Den Hertog de voorwaarden voor het lidmaatschap gewijzigd. Er kwam een vijf rangen systeem dat er voor zorgde dat er meer geld in het laatje kwam, maar ook voorkwam dat het gewone volk in aanraking kwam met de elite.

In de jaren 20 had de gemeente Den Haag het bouwverbod op de dierentuingrond opgeheven. Het gevolg was dat een deel van de eigenaren de grond, waarvan de waarde door de groei van de stad sterk gestegen was, wilde verkopen. Gedurende deze jaren werd een strijd uitgevochten tussen verschillende facties binnen het bestuur en de eigenaren. Dit cumuleerde toen directeur Den Hertog in december 1928 in dagblad Het Vaderland een artikel liet plaatsen waarin hij aangaf een andere baan te ambiëren. Dit dreigement was echter een verkapte eis tot salarisverhoging. P. Jansen, de voorzitter van de raad van commissarissen, reageerde daarop met een vacature in de Haagsche Courant: "directeur gevraagd" 

Rustiger vaarwater

Revue artiest en politicus Henri ter Hall kwam in het bestuur, maar belangrijker was de opvolger van Den Hertog. W.K.L.A. Graaf van Bylandt (een petekind van Keizer Wilhelm) was een dierenliefhebber die in een Frans circus had gewerkt, Hij was blij dat hij in 1928 gevraagd werd om directeur te worden van de dierentuin. Van Bylandt had een uitgebreid netwerk en maakte daar handig gebruik van. Zo ontving de dierentuin in januari 1929 een leeuw en in november een tijger van de Duitse dierenverzamelaar Carl Hagenbeck. In november 1933 ontving van Bylandt een albino slankaap uit de Congo cadeau. In september 1935 schonk Hendrik Colijn, de secretaris van de Bataafse Petroleum maatschappij (Shell) en tevens ministerpresident van Nederland een oerang-oetan. In oktober 1935 arriveerden twee brulapen van de dierentuin van Soerabaja en in 1937 schonk Hendrik Rookmaker, de resident van Palembang, weer een olifant. Naast deze cadeautjes werd er weer uitgebreid in de dierentuin geïnvesteerd. Zo werd het huis van Roodkapje in het wolvenhok gezet en in april 1930 werd een rotspartij voor de berggeiten gebouwd. De grootste publiekstrekker was echter Betsy de olifant. De graaf zorgde hiermee dat het publiek weer massaal terug kwam. 

 

Directeur P.J. den Hertog in 1925. De olifant werd gebruikt om rondritten door de dierentuin te maken.
Directeur P.J. den Hertog in 1925. De olifant werd gebruikt om rondritten door de dierentuin te maken.

Betsy

Betsy de olifant paste in een nieuwe strategie om de dieren weer terug naar Den Haag te halen.  Er zijn in de loop der jaren vier verschillende Betsy's geweest. De eerste Betsy kwam als jong olifantje in 1875 naar de dierentuin. Het publiek was dol op haar en liet zich graag amuseren door haar uitgebreide repertoire aan kunstjes. De laatste Betsy (nummer IV) kwam in 1937 naar de Haagse Dierentuin. In tegenstelling tot haar voorgangers kreeg ze tijdelijk gezelschap van andere olifanten, Neeltje, Dora en Aida. Al snel verlieten deze drie laatste olifanten de dierentuin weer. Betsy IV bleef en werd soms als lopend reclamebord gebruikt. Toen de Haagse Dierentuin in 1943 gedwongen was te sluiten, verhuisde Betsy IV naar Artis in Amsterdam. Ze leefde daar tot in de jaren zestig.

 

De Victoria Regia-kas. Op de achtergrond de huizen van de Nassau Odijckstraat.
De Victoria Regia-kas. Op de achtergrond de huizen van de Nassau Odijckstraat.

Meer problemen

De kosten bleven stijgen en het cashflow probleem werd nauwelijks opgelost. Het werd steeds lastiger om de stijgende salarissen van de 35 personeelsleden te betalen. In december 1935 ging daarom het lidmaatschap opnieuw op de schop en kon de hele bevolking lid worden en nam het aantal leden toe van 1100 naar 4000. De kermis was echter nog steeds de moneymaker. Verder werd onderhandeld met de gemeente Den Haag om voor f850.000 de dierentuin over te nemen (te kopen) om deze daarna weer te verhuren aan een nieuw op te richten N.V. Dit voorstel kwam echter niet door de raad (19 stemmen voor en 21 tegen). In 1939 bezochten jaarlijks ongeveer 200.000 bezoekers de dierentuin. De exploitatie was sluitend dankzij de opbrengsten van de voorjaarsfeesten en de verhuur van de zalen. Er rustte echter nog steeds een forse hypotheek op de inboedel.

Op het dierentuin terrein werden regelmatig concerten gegeven.
Op het dierentuin terrein werden regelmatig concerten gegeven.

De buren

De dierentuin was bij de stichting in 1863 6 hectare (ha) groot, maar verloor een hectare toen de Koningskade verbreed moest worden. Het was een lastige opgave om op deze krappe 5ha een dierentuin te exploiteren. Ter vergelijking, de dierentuin van Wassenaar was 15ha groot, en de het huidige Blijdorp in Rotterdam maar liefst 28ha. De Haagse dierentuin kon niet groeien omdat in de loop der jaren het Nassaukwartier om de tuin heen gebouwd was. Dit zorgde voortdurend voor problemen met de buren.

Al in 1906 liet een bewoner van de Koningskade een scheepshoorn afgaan als protest tegen het lawaai van de kinderspeelplaats. Na bemiddeling van de burgemeester werd de speelplaats op kosten van de omwonenden verplaatst. In 1932 bijvoorbeeld stond directeur van Bylandt voor de rechter omdat omwonenden uit de Jan van Nassaustraat hadden geklaagd over de nachtelijke herrie van de kraanvogels. Van Bylandt merkte op dat de stad om de dierentuin gegroeid was en dat de kraanvogels er eerder waren dan de buren. Een nazaat van de hoofdklager woont overigens nog steeds in deze straat.

De oorlog

Op 27 september 1940 overleed Graaf van Bylandt aan een stress gerelateerde ziekte. Op 7 oktober werd de nieuwe directeur aangesteld. Jonkheer P.J.A. Just de la Paisieres mocht de boel ontmantelen en was in 1946 de laatste werknemer. Het onder zware hypothecaire lasten gebukt gaande Genootschap sloot een contract af met een bouwerscombinatie, die een optie verkreeg om uiterlijk 20 mei 1943 de gronden en opstallen te kopen. Dan zou, na verkoop van de inventaris aan Artis, de dierentuin worden opgedoekt.  

Ook tijdens de oorlog werd de grote zaal gebruikt voor congressen. Hier Generaalarbeidsführer, Dr. W. Decker op 11 oktober 1941. Het thema van de vergadering was het nut van de Rijksarbeidsdienst.
Ook tijdens de oorlog werd de grote zaal gebruikt voor congressen. Hier Generaalarbeidsführer, Dr. W. Decker op 11 oktober 1941. Het thema van de vergadering was het nut van de Rijksarbeidsdienst.
Op last van rijkscommissaris Seyss Inquart stak de 'Commissaris voor niet-commercieele Vereenigingen en Stichtingen' een stokje voor de uitvoering van dit scenario. Seyss Inquart woonde een paar honderd meter verderop in het landhuis op Clingendael en probeerde de eerste jaren van de oorlog met zachte hand de Nederlanders voor het nationaalsocialisme te winnen. Hij stelde op 16 april 1943 dr. K. van Eybergen aan als gemachtigde met de opdracht de fauna en flora te redden en recreatie mogelijkheden voor de Haagse burgerij te sparen.

Van Eybergen voerde een reorganisatie van de exploitatie door, waartoe hij per 1 juni 1943 de Stichting Haagsche Dierentuin oprichtte, waarin hij het alleen voor het zeggen had. Met de pinksterdagen passeerden ruim 6.000 mensen de toegangs-hekken. Gezien deze massale belangstelling hoopte hij na afloop van de oorlog de dierentuin drastisch te kunnen vernieuwen. De Rijkscommissaris maakte een half jaar later echter toch korte metten met de dierentuin. De vesting-Clingendael ging onderdeel uit maken van de Atlantikwall en deze muur ging dwars door de dierentuin.  Na tachtig jaar viel op 6 september 1943 het doek voor de dierentuin.

Een als tuinhuisje gecamoufleerde bunker aan de rand van de dierentuin. De foto komt uit 1946.
Een als tuinhuisje gecamoufleerde bunker aan de rand van de dierentuin. De foto komt uit 1946.

Het einde

De dierentuin lag in de zuidwestelijke hoek van dit verdedigingswerk, voor de bouw waarvan langs de Raamweg-Koningskade één doorlopende muur werd opgetrokken, die op de hoek Koningskade-Benoordenhoutseweg overging in de met bunkers versterkte tankgracht door het Haagse Bos. Eind november 1943 was de liquidatie van de dierentuin voltooid. Een aantal grote dieren werd ondergebracht in de Rotterdamse diergaarde Blijdorp, waarmee de dierentuin een jarenlange samenwerking had. Het merendeel van de verzameling dieren en planten bleef echter in Den Haag. Op de kinderboerderij en op de noordoostelijke speelweide in het Zuiderpark werden voorzieningen getroffen om de nieuwe bewoners op te vangen. De verhuizing betrof 5 bijenvolken, 12 viervoeters (te weten 2 kamelen, 2 zebra's, 2 lama's, 4 maneschapen, 1 zeboe en 1 bison) en 54 vogels (waaronder fazanten, zwanen, pelikanen, nandoes, eenden en ganzen). Verder behalve een kinderboerderij en een hooischelf 24 stuks vee (schapen, runderen, geiten en varkens) en 34 hanen en hoenders. Ook werden ongeveer 5.400 planten naar het Zuiderpark verplaatst.

NSB-burgemeester Westra toonde zich tegenover de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken verheugd, 'dat U deelt in mijn mening, dat het behoud van een deel van den Dierentuin, als gelegenheid voor ontspanning en leering voor 's-Gravenhage van groot belang is'. Deze vreugde ten spijt ontpopte zich een juridisch steekspel over de exploitatielasten, dat in een overeenkomst van 10 augustus 1944 werd beslecht. De Stichting Haagsche Dierentuin zou dit alles voor tien jaar in bruikleen geven aan de gemeente 's-Gravenhage, die voor de onderhoudskosten zou opdraaien.

Het terrein met de gebouwen werd verkocht aan de gebroeders W.J. en J. Rote, te Wassenaar en Bloemendaal. De uit 459 delen bestaande bibliotheek van het Zoologisch-Botanisch Genootschap werd in mei 1944 aan de gemeente geschonken. Op 27 november 1944 gebeurde hetzelfde met de dieren en planten, 'opdat op deze wijze de kern van de Haagsche Dierentuin voor 's-Gravenhage behouden blijft'. Na de oorlog heeft het Nederlandsche Beheersinstituut zorg gedragen voor afwikkeling van de financiën van de Stichting.

De grote zaal had oosterse invloeden. Op deze foto uit de jaren 40 is echter te zien dat de  inrichting versoberd is. De monumentale koepel in het plafond en de cassettes zijn dicht getimmerd.
De grote zaal had oosterse invloeden. Op deze foto uit de jaren 40 is echter te zien dat de inrichting versoberd is. De monumentale koepel in het plafond en de cassettes zijn dicht getimmerd.

Na de oorlog

De gemeente Den Haag gaf in oktober 1945 de grote dieren in bruikleen aan Blijdorp, want dat scheelde ongeveer f 10.000 aan onkosten per jaar. In maart 1947 werd de laatste stap gezet en werden de grote dieren verkocht aan Blijdorp, Dierenpark Wassenaar en Ouwehands Dierenpark in Rhenen. Na de oorlog had de gemeente grotere prioriteiten dan een zieltogende dierentuin en een verzoek  om een nieuwe dierentuin te stichten werd daarom afgewezen. 

De Atlantikwall werd afgebroken en het meest succesvolle onderdeel van de dierentuin, het Moors Paleis, werd gerestaureerd. Er gingen weer feesten, bijeenkomsten, examens en voorstellingen georganiseerd worden. De overheid zocht ondertussen naar een nieuwe bestemming voor het troosteloze terrein. Bij gebrek aan beter stelden de heren Rote, die de 'Combinatie-Dierentuin' in het leven hadden geroepen, het voorlopig open als wandelpark. 

In 1950 werd het Haags Montessori Lyceum naast de Moorse zaal gebouwd. Deze school gebruikte echter slechts een klein stuk van het terrein.

Het oude provinciehuis in 1964.
Het oude provinciehuis in 1964.

Provinciehuis

Bij het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945 was het provinciehuis aan het Korte Voorhout deels en de ambtswoning van de commissaris van de koningin volledig verwoest. Het provinciaal bestuur had behoefte aan een nieuw gebouw, dat ruimer van opzet was en ook een eigen statenzaal zou bevatten.

In 1963 werd begonnen aan de bouw van het Provinciehuis aan de andere kant van het Moorse paleis. Dit kon nog even blijven staan, maar op 30 juni 1968 werd het pand dan toch gesloten. Even later werd het afgebroken om plaats te maken voor uitbreiding van het Provinciehuis en de bouw van het hoofdkantoor van Rijkswaterstaat. Tussen 1995 en 1998 werden de twee, niet zo mooie, oudste delen van het provinciehuis gesloopt en vervangen door nieuwbouw.

 

De Dierentuinbrug werd gebouwd in 1939. In 1943 werd het Benoordenhout Duits Sperrgebiet en werd de brug afgebroken. De beeldhouwwerken werden opgeslagen en na de bouw van een nieuwe brug rond 1949/1950 teruggeplaatst. De reliëfs zijn scènes uit fabels van La Fontaine. Op de achtergrond het nieuwe Provinciehuis.
De Dierentuinbrug werd gebouwd in 1939. In 1943 werd het Benoordenhout Duits Sperrgebiet en werd de brug afgebroken. De beeldhouwwerken werden opgeslagen en na de bouw van een nieuwe brug rond 1949/1950 teruggeplaatst. De reliëfs zijn scènes uit fabels van La Fontaine. Op de achtergrond het nieuwe Provinciehuis.

Heden

Op 14 juli 1939 werd de brug over het kanaal van de Koningskade geopend. In 1956 werd dit formeel de Dierentuinbrug genoemd. Ter versiering van de brug ontwierp kunstenares Gra Rueb (1885-1972) twaalf reliëfs met scènes uit de fabels van La Fontaine. Verder zijn in de tuin van het provinciehuis beelden van een uil, adelaar en poema neergezet en in het gebouw hangen verschillende foto´s van de dierentuin.

In 1997 lag er een plan op tafel voor een nieuwe dierentuin in Den Haag. Niet meer op de Zuid Hollandlaan, maar in het Zuiderpark. Dit plan had volgens de bedenkers kans van slagen omdat de grote concurrent, de Wassenaarse dierentuin, inmiddels niet meer bestond. Dierenrechtenactivisten kwamen echter massaal in opstand. Ze waren bang dat de dieren te weinig bewegingsvrijheid zouden krijgen in deze nieuwe Haagse dierentuin. Het plan stierf een stille dood.

 

De contouren van de dierentuin. Met linksonder het provinciehuis en rechtsboven het Montessori Lyceum.
De contouren van de dierentuin. Met linksonder het provinciehuis en rechtsboven het Montessori Lyceum.
De prachtige Moorse zaal werd in 1893 gebouwd. Op de achtergrond het toneel waarop de optredens plaats vonden.
De prachtige Moorse zaal werd in 1893 gebouwd. Op de achtergrond het toneel waarop de optredens plaats vonden.
Op het terrein van het Provinciehuis staat een beeld van een adelaar als aandenken aan de dierentuin.
Op het terrein van het Provinciehuis staat een beeld van een adelaar als aandenken aan de dierentuin.
De voorjaarsfeesten in de Dierentuin waren de vervanger van de kermis. Deze foto werd in 1890 gemaakt.
De voorjaarsfeesten in de Dierentuin waren de vervanger van de kermis. Deze foto werd in 1890 gemaakt.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven